nedersjamanen in neoland

rapport in opdracht van het tropenmuseum voor de komende tentoonstelling

van Siberië tot Cyberspace


Fred Gales & Tjebbe van Tijen


Imaginary Museum Projects

Amsterdam juli 1997


inhoud



















..."liggend op zijn bladerbed / het smeulend vuur van berkebast aanblazen // door het rookgat / de witblauwe poolster bespieden // in heldere blijdschap de hemelse spijker / en stralende navel van zijn heelal gadeslaan // als viervoeter zijn tent verlaten / om de verre suizing van een vleugelslag"...

H.C. ten Berge gebruikte het woord niet, maar beschreef wel de yurt in zijn voor het eerst in 1972 in Zandvoort uitgegeven dichtbundel 'De witte sjamaan'. De neo-yurt onderscheidt zich van het traditionele model door de naar buiten wijkende wanden (dit kan door de grotere kracht op de spanningsband die niet van touw of stof, maar van staaldraad gemaakt is) deze constructie geeft een nog sterker ruimtelijk effect en is ook steviger. Deze constructiemethode ontstond aan het einde van de zestiger jaren in de Verenigde Staten en maakte onderdeel uit van de behoefte aan andere leef en bouwvormen in de 'culturele underground' beweging, een beweging die, een groot aantal elementen van het latere ecologisch bewustzijn en de hernieuwde belangstelling voor spiritualiteit, voorschaduwde: "..we will have to find a responsive and sensative balance between the still usable skills and wisdom of the past and the sustainable products and inventions of the 20th century" ('Shelter', eerste overzichtswerk over alternatieve bouwmethoden uit 1973 met een 19e eeuwse afbeelding van het interieur van een yurt op de omslag). Ook bouwde ik zelf met behulp van vrienden vijf jaar later in 1978 zo'n yurt die het eerst geplaatst werd op het braakliggend gebied van het Waterlooplein tijdens een ceremoniële bezetting van dit gebied onder de naam 'Anti City Circus'. Later werd de yurt ook in een ecologisch dorp in het Wiener Wald opgesteld tijdens een alternatieve UNO conferentie over wetenschap en techniek voor ontwikkeling (UNCSTD, zomer 1979). De combinatie van mobiliteit (opvouwbare tent) en spiritualiteit (weerspiegeling van de kosmos) van dit bouwsel passen goed bij het weer te geven neo-sjamanisme met zijn rondreizende predikers, die overal in de Westerse wereld hun tenten opslaan.






..."uit de trommel: rauw kaaklen van rendier korjakken, / de hoefslag, de roffelende roep van jakoeten te paard"...

(Ten Berge/De witte sjamaan)


Het geluid van de trommel dat beelden oproept, het trommelvel waarop schilderingen zijn aangebracht met verwijzende tekens, het slaan op het trommelvel om contact te maken met wat elders is, de sakrale plaats van de trommel in het midden van de yurt recht onder het 'rookgat' op de plaats van het vuur, deze associaties zijn vervat in de projectie trommel. Als niemand op de trommel slaat spelen vlammen onder het trommelvel. Als je in het midden van het trommelvel slaat komt met iedere slag een ander beeld te voorschijn ontleend aan de vele verschillende sakrale trommelschilderingen uit verschillende culturen en tijden. Als je op een van de zeventien symbolen aan de rand van trommel slaat volgt een korte reeks van beelden en geluiden die een artistieke samenvatting geven van (neo) sjamanistiese activiteiten. Ieder van deze, merendeels personen weergevende, impressies begint met het een in stappen opgebouwde houtskooltekening die op het middendeel van het trommelvel verschijnt. Deze tekening geeft zowel de centraal staande persoon als de door haar/hem gebruikte attributen weer en vervloeit in een reeks van snel wisselende beelden ontleend aan tekeningen, schilderingen, foto's en filmmateriaal, gecombineerd met geluidsfragmenten. De duur van ieder van deze beeld en geluidsreeksen is ongeveer 1 minuut. Gemiddeld worden zo'n 20 a 25 basis beelden per reeks gebruikt. Door gebruik te maken van beeldmanipulatie wordt de reeks als een reeks van vervloeiende beelden ervaren. Het kiezen van een ander symbool aan de rand van de trommel, of het slaan op het midden deel van de trommel onderbreekt de dan 'lopende' reeks. Het geluid is bijzonder belangrijk bij deze sequenties je zou kunne zeggen dat het gaat om geluid onderstreept door beeld. De geluidsbron dient rondom de trom in de vloer van de yurt verwerkt te worden. Voor het deel met de trommelschilderingen is te denken aan pulserend geluid dat verwijst naar de tranceachtige techno' muziekcultus van dit moment.






..."het trage graven begint, / laag naar laag wordt langzaam weggestoken: // een spekstenen kom en sporen van vuur, / wij stuiten op tekens // gestoken taal / gekrast in een orakeltand"...

(Ten Berge/De witte sjamaan)


Naast de (ongeveer 17) korte audio/visuele introducties zijn er ook documentaire achtergrondgegevens beschikbaar in de yurt. Deze worden gepresenteerd in de vorm van informatierollen. De rollen bestaan uit een houten frame aan weerszijde afgedekt met transparante polystireenplaat. Twee houten draaistokken voeren de met tekst en beeld bedrukte strook van stevige transparant plastic folie door een transparante sleuf (met een vilten richel om krassen te voorkomen). De informatie op de transparante stroken is op liggend A4 formaat (21 cm hoge en 30 cm lange zijde). De informatierollen (van licht materiaal) zijn voorzien van een ring en hangen aan haken aan de onderrand van het yurt dak. Ze zijn gemerkt met dezelfde 17 tekens als op de rand van de trom. Door de informatierollen van de haak te nemen en op een van de zes leesplaatsen te leggen kunnen de achtergrondgegevens bekeken/gelezen worden. De leesplaatsen bestaan uit cylinders van 42 cm hoog en 42 cm middellijn met een lichtbak in het bovenvlak van 21 bij 30 cm. Bij iedere leesplaats staat een (vast) laag leeskrukje. Er zijn vijf van zulke leesplaatsen en een leesplaats die wat hoger is en ook geschikt voor mensen in een rolstoel. Door de informatierolhouder (die op een duidelijke manier past door het in elkaar grijpen van het frame van de informatierol en een richel rondom het lichtbakje) op de cylinder van de leesplaats te leggen worden de beelden heel helder zichtbaar. Iedere informatierol kan door een eenvoudige contactschakeling (met een pincontact) herkend worden. Een kort, herhalend en bijpassend, geluidsfragment kan door een luidspreker in de grond (tussen de voeten van de bezoeker) klinken terwijl de informatierol doorgekeken wordt. Een bezoeker laat een doorgekeken rol achter, of hangt deze terug aan een van de vrije haken. Op deze wijze kunnen met een klein aantal leesplaatsen (6x) meerdere informatierollen (17 of meer) doorgekeken worden.



Een extra leesrol (eventueel niet verwijderbaar) geeft de samenhang tussen de getoonde zeventiende fragmenten weer door deze visueel chronologisch met beeld en tekst te ordenen.

De achtergrondinformatie bestaat uit: afbeeldingen gebeurtenissen, zelfbeschrijving, commentaar en kritiek van anderen, folder gegevens (waaronder ook tarieven voor cursussen, workshops en consulten alsmede adresmateriaal), verwijzing naar boeken, geluidsmateriaal video's (bij voorkeur ook aanwezig in de Tropenmuseumwinkel). verder zou het goed zijn de moeglijkheid te geven voor scholieren om (tegen een kleine vergoeding) een keuze van achtergrondgegevesn af te drukken. Dit zou heel eenvoudig kunnen in de bibliotheek met een toegangsscherm waar dezelfde symbolen weer terugkomen.




..."dan, uit breuklijnen in de versteende modder / breekt het floersen dubbelbeeld van zwarte ogen door // als van dode geliefden, tijdens de bijslaap / verrast en door vrienden niet meer gevonden; // aan tijd en toeval te gronde / maar nu ten prooi aan gestolde verrukking"...

(Ten berge/De witte sjamaan)


Aan de tegenover liggende zijde van de ingang van de yurt staan aan de rand twee grote traditionele kisten zoals men ze heden ten dage in Mongoolse yurts aan kan treffen. De koffers hebben handvaten en een forse gebogen deksel. Voor iedere koffer staat een klein zitkrukje. Als men de kofferdeksels opendoet blijkt aan de binnenkant van de deksel een computer beeldscherm te zitten. Het bovenvlak van de onderzijde van de kist bestaat uit een van magische cybertekens voorziene grote 'mousepad' en er zijn gestoffeerde uitsparingen voor een muis en een koptelefoon aan weerszijde van de 'mouse pad'. De bezoekers kunnen voor het sjamanisme relevante sites bekijken van traditionele antropologische gegevens tot cyber shamnistic sites. De ene koffer heeft een standaard Internet interface (wel is de computer zo geprogrammeerd dat enkele voor de tentoonstelling relevante sites bezocht kunnen worden). de andere kan een voor niet ingewijden eenvoudige interface hebben waarbij men een eenvoudig gepresenteerde keuze kan doorbladeren.

Een voorlopige keuze van een vijftigtal sites is gemaakt en wordt als bijlage toegevoegd.







INHOUDSOVERWEGINGEN

SAMOJEDEN, SAMI EN SJAMANEN UIT DE 17E EEUW

De Russische verovering van het Noordelijk deel van Siberië komt pas op het einde van de 16e eeuw met Yermak op gang en loopt door tot het begin van de 19e eeuw. De Nederlandse contacten met Rusland waarvan beschrijvingen overgebleven zijn dateren van de tweede helft van de 17e eeuw. Het was met name Nicolaas Witse, burgemeester van Amsterdam en bewindvoerder van het VOC, die informatie over Rusland en Oost-Azië verzamelde. Het is in zijn werken dat de eerste Nederlandse afbeeldingen van sjamanen te vinden zijn. De pogingen om een route naar Indië om de Noord te vinden bracht de Nederlanders in contact met de Samojeden (in de buurt van Nova Zembla) en de Lappen/Sami. Een ander curieus contact met Lappen stamt uit het begin van de 18e eeuw als de Zweedse botanicus Linaeus voor langere tijd voor studie in Nederland verblijft. In het Historisch Wetenschappelijk Museum van Leiden is nu nog een schilderij te vinden uit 1737 waarop Linaeus te zien is in Laps kostuum met een tovertronmmel van een 'noid' (Laps woord voor sjamaan). Enkele jaren daarvoor, in 1731 te Utrecht, werd het boek van Jacob Campo Weyerman 'Den Laplanschen tovertrommel' gepubliceerd. In de voorafgaande decennia werden deze tovertrommels systematisch verbrand in verband met de 'kerstening van heidenen'.




WILDE MANNEN AAN WILDE KUSTEN

Zo zijn er natuurlijk ook de contacten van Nederlandse zeevaarders en kolonisators met andere samenlevingen op verschillende continenten geweest. Wat later door godsdienstwetenschappers (zoals Eliade in 1951) als verwant gezien werd, werd toen in een heel ander perspektief bekeken. Zo vinden we beschrijvingen uit Suriname waarin de Caribse Piaman/medicijnman genoemd worden uit 1625 van schipper De Vries (Kort Historeal) en van Stedman uit 1772 (die expedities ondernam tegen naar het binnenland weggevluchte negerslaven: The Journal of John Gabriel Stedman). Het zou de moeite lonen om in de Nederlandse reisbeschrijvingen van de 17e en 18e eeuw ook na te gaan wat er te vinden is over Afrikaanse medicijnmannen, soortgelijke fenomenen in de Indische Archipel en Aziatische ervaringen. In de zeer korte tijd die beschikbaar was voor ons onderzoek hebben wij dit onderzoekswerk niet kunnen doen. Wel is er contact gelegd met Dr. Bert Paasman van het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam om informatie uit te wisselen. Wel is duidelijk dat er duidelijke sporen van contacten met het magische in de Nederlandse literatuur terug gevonden kunnen worden. De opkomende antropologische studies op het einde van de 19e eeuw (vaak ter ondersteuning van pacificatie campagnes, kerstening en bevestiging van eigen superioriteit), met name in Oost Indië, hebben daar zeker aan bijgedragen.

HET GEMEEN GEVOELEN AANGAANDE GEESTEN

Wat betreft Nederland zelf is er pas de laatste tien jaar sprake van serieus onderzoek naar niet Christelijke praktijken uit voorgaande eeuwen. Boeken over het bijgeloof van het domme volk vindt men in de 17e eeuw zoals van Johannes Wier (1660/Opera Omnia), Abraham Palingh (1659/'t afgerukt mom aansight der toverijen) en Balthasar Becker (1739/De betoverder weereld, zijnde een grondig ondersoek van 't gemeen gevoelen aangaande de Geesten, derzelver aart en vermogen, de wind en bedrijf).


ZOEK DE SJAMAAN IN DE KAARTENBAK

Als we kijken naar de in Nederland gebezigde classificatie in bibliotheken en bibliografieën dan valt op dat veel van de door ons relevant gevonden publikaties onder een groot aantal verschillende noemers van heel nauwe tot zeer wijde termen gezocht moet worden. De classificatie term sjamanisme wordt pas krap tien jaar in bibliotheken gebezigd. De oude systematische catalogus van de Universiteits Bibliotheek Amsterdam heeft een heel aantal termen waaronder gezocht dient te worden om de wortels van het sjamanisme in Nederland bloot te leggen: animisme, duivels, esoteriek, folklore (sagen), geesten, heksen, helderziendheid, magie, occultisme, religieuze stromingen buiten de wereldgodsdiensten, tovernarij, wonderen (volksgeloof).



SINTERKLAAS EEN SJAMAAN?

Heem en volkskunde, dialectstudies en dergelijke komen aan het einde van de 19e eeuw op (het Nederlands/Vlaamse tijdschrift Volkskunde wordt in 1888 opgericht). Het is ook in deze kringen dat belangstelling ontstaat voor voor christelijke symboliek en magische praktijken (vaak in christelijke vermomming). De goedheiligman Sinterklaas is een van de weerkerende studie onderwerpen. Monografieen verschijnen vanaf 1948 (Anton van Duinkerken), een Franse studie in 1978 en een Amerikaans/Nederlands geschrift uit 1995 waarin Santa Claus en Sinterklaas in direkt verband met het sjamanisme gebracht worden (Tony van Renteghem/When Santa was a shaman: the ancient origin of Santa Claus & the Chrismas tree). Dit laatste geschrift is een zeer vrijblijvende associatie van vrij willekeurige gegevens, die meer over het tijdsgewricht dan over het onderwerp zegt. Toch zijn er wel degelijk verbanden en zijn die ook in nieuwe rituelen terug te vinden, zoals bij de anti rookmagier Robert Jasper Grootveld.


ROOKOFFERS AAN GOD JAN PUBLIEK

Robert Jasper Grootveld roept met zijn happenings in de zestiger jaren, maar ook met zijn daarna ontplooide activiteiten van visionair vlottenbouwer, associaties op met kenmerken van het sjamanisme. In het proefschrift over de Provobeweging, enkele jaren na de beweging, van Jef Lambrecht wordt uitgebreid aandacht besteed aan deze happenings: "Wanneer provo in 1965 ten tonele verschijnt heeft Grootveld reeds een stapel voorbereidend werk achter de rug. Jaren lang heeft hij als een ware Johannes de Doper, de komst van Klaas predikend, gebouwd aan een kultureel klimaat waarin provo zou kunnen gedijen" (p.76). Lambrecht noemt de ontwikkeling van Grootveld waarin een gebeurtenis van belang is voor de relatie van Grootveld met het sjamanisme, wanneer deze als steward op een zeevaarder reizen maakt: "Een ervan bracht hem naar Zuid Afrika, waar hij, in Durban, voor een schijntje een koffertje kocht met daarin magische attributen van een vermoorde medicijnman. Het koffertje, waar alle Afrikanen een heilige schrik voor bleken te hebben zet Jasper bij de terugreis aan het denken over magie en onzichtbare verbanden, ook in onze samenleving, 'een moderne asfaltjunle van koelkasten en roomkloppers en (wij JL) houden zodoende de meest primitieve eredienst in stand in de vorm van rookoffers aan God Jan Publiek" (ontleend aan Van Reeuwijk/Damsterdamse extremisten, 1965, p.11).
Vanaf 1962 ontwikkelen zich zijn rituele happenings, eerst in de Anti Rooktempel in de Korte Leidsedwarsstraat 31 (in bruikleen gegeven door de restauranthouder en kabalist Nicolaas Kroeze), later verplaatsen zijn happenings zich naar het door tabaksfabrikant Hunter gefinancierde beeldje 'Het Lieverdje' op het Spui.

Daar vindt de vermenging met de inmiddels ontstane provobeweging plaats. Grootveld gebruikt trance achtige handelingen, hij heeft visioenen zoals die van Amsterdam als 'magisch centrum' van 'onze westerse asfaltjungle'. Hij spreekt over het feit dat in Amsterdam vroeger heksenprocessen aangevochten konden worden (vraaggesprek in de Wereldkroniek van 9 oktober 1965) en dat er verband was tussen de magische grachtengordel en deze rol van Amsterdam. Hieruit volgt het beeld dat "Iedereen met zonderlinge, heilzame ideeën" naar Amsterdam moest komen om daar zijn boodschap uit te dragen. "Die 'profeten' noemt Grootveld 'Klazen', deze klazen zullen samenkomen in een konsilie. Het zijn deze klazen die "zien welke kant het op moet gaan met een intens besef van alles, tegelijkertijd." (H.J. Meijer/Heer geef me een sigaret, Ratio april 1964). "Het verschijnen van de kreet 'Kom Klaas' werd geregeld aangetroffen op de Amsterdamse muren, in kombinatie met het grafisch symbool voor het Magisch Centrum: het beroemde door Bart Hughes ontworpen Appeltje met stip." (Lambrechts, p.88)
Het klimaat waarin deze rituelen tot ontwikkeling komen wordt mede bepaald door publikaties als Vance Packard's Hidden Persuader/Verborgen verleiders (door Grootveld geparafraseerd in een gestencild blaadje met hanepootletters onder de titel 'Hippe zweeter' en Pauwels/Dageraad der magiers. Grootveld verhaalt hoe hij tijdens de vervolging van provo (de latere 'tolerantie' moest nog veroverd worden) het boek van professor Baschwitz over heksenprocessen las. Het is ook het Baschwitz Instituut van de Amsterdamse universiteit (massapsychologie) dat in die tijd begint een provo collectie aan te leggen.






VERKEERSMAGIERS EN ZWARTE MISSEN

Grootveld was niet de enige magiër in die tijd. Zo was er ook de kunstenaar Thom Jaspers die in Groningen en Gouda antiverkeers happenings hield om het groeiend aantal doden door verkeersongelukken te bezweren. Binnen het kunstenaarscircuit waren er dan nog talloze happenings, zoals 'Open het graf' in 1961, waar verbanden met magische rituelen te vinden zijn. Na het midden van de zestiger jaren waren 'zwarte missen' en andere de christelijke geloofsgemeenschap shockerende happenings zeer populair, onder meer in het vlak bij Maastricht gelegen Borgharen tijdens het provoconcilie in 1967.




VAN DADA TOT MAGISCH REALISME

Het kost weinig moeite om deze rituele happenings uit de zestiger jaren in een wijder perspectief van boheme en kunstenaarsacties te plaatsen. Probleemloos kan men terugspringen in de tijd, naar het oerbegin van de Dadabeweging in Zürich, waar de Roemeen Tristan Tzara maskers uit de Roemeense folklore in het Cabaret Voltaire gebruikte. Belangstelling voor rituele voorwerpen uit niet Westerse culturen, met name maskers,vinden we terug bij de Cubisten in het begin, tot Cobra in het midden van de twintigste eeuw. Belangstelling voor het bovenzinnelijke zowel in de literatuur als in de beeldende kunst reikt tot diep in de 19e eeuw terug. In de Nederlandse literatuur zijn het o.m. Daum, Couperus, Frederik van Eeden die magische, spirituele elementen in hun werk gebruiken. Het surrealisme, ook het Nederlandse, legt grote nadruk op het nietrationele. Ecriture automatique is maar een van de vele methoden en er zijn vaak verbluffende overeenkomsten tussen 'New Age' technieken van nu en experimenten van toen. Magisch realisme is een ander raakvlak van de schilderkunst tot de literatuur waarbij met name de Vlaamse schrijver Hubert Lampo genoemd moet worden, die vanuit zijn belangstelling voor dieptepsychologie de grondlegger van het magisch realisme in de veertiger jaren in Vlaanderen wordt.


DE WITTE SJAMAAN UIT ZANDVOORT

De meest direkt met het sjamanisme verbonden Nederlandse literator en vertaler is H.C. ten Berge. In 1972 geeft hij te Zandvoort, in een oplage van 50 exemplaren, de dichtbundel de Witte Sjamaan' uit, dat een jaar later in een grotere oplage bij de Bezige Bij verschijnt. Ten Berghe heeft zich al langer in oorspronkelijke tekstregistraties van Siberische en andere Arctische volken verdiept en zal dat in de daaropvolgende jaren blijven doen. Zo verschijnt er in 1979 een omvangrijke bundeling vertalingen onder de titel 'Siberische vertellingen' van zijn hand.



GRASDUINEN MET VINKENOOG

Onontkoombaar is de persoon van Simon Vinkenoog die, naast zijn literaire produktie, vooral betekenis heeft voor het onderwerp neosjamanisme als bloemlezer, vertaler, voordrachthouder en 'performing poet'. Zijn ongebreidelde belangstelling voor het ongrijpbare en zijn met blijheid beleden doorgeeffunctie maken hem al drie decennia tot een spil van de Nederlandse esoterische beweging. Deze 'grote omhelzing van alles' maakt dat zijn geschriften over de vele stromingen en personen binnen de esoterische beweging nauwelijks krities en weinig beschouwend zijn, maar het registrerend en signalerend karakter van zijn bezigheden is wel een belangrijke grondslag voor zo'n kritiese beschouwing. Een citaat uit een recent voorwoord uit 'De Gids voor andere wegen/Bres, 1992' maakt deze instelling duidelijk: "En als wij ons zelf kennen, zijn wij voor niets meer bevreesd en leven wij in volle verbondenheid met al wat was, wat is en zal zijn. In dankbare overgave. Vanuit die bevrijde staat een zonnegroet! Ademhalen en grasduinen. Onderzoek alle dingen en behoud de goede." Het direkste verband met het onderwerp sjamanisme ligt in de optredens van Simon Vinkenoog als wat 'performing poets' genoemd wordt. Een onstuitbare stroom van woorden die het publiek meesleept naar andere werkelijkheden.



HET METEN VAN HET ONMEETBARE

Het meten van het onmeetbare is een ander thema dat nauw verband houdt met de ontwikkeling van het neosjamanisme. De scherpe scheidslijn tussen onderzoeksgebieden als astrologie en astronomie, die wij nu menen te kennen, waren voor grondleggers van de moderne exacte wetenschappen, als Newton en Kepler minder duidelijk, zij bewogen zich met gemak in beide werelden. De ontwikkeling van de moderne onderzoeksmethode ging vaak hand in hand met bovenzinnelijke exploraties zoals bij de uitvinder van wisselstroom Nicola Tesla (18561943) die ook contact met buitenaardse wezens (van Venus) voorzag. Magnetisme en elektriciteit hebben van oudsher een wisselende rol in deze meetbare en onmeetbare wereld gespeeld. De krachtvelden van aarde en heelal waren vanouds het terrein van ingewijden, geomanciers, en het is van hier uit dat het magische bord met de draaiende magnetische lepel (vroeg Chinees kompas rondom het begin van de jaartelling) zich ontwikkeld tot het onmisbare navigatie instrument van latere eeuwen. De Oostenrijkse arts en astroloog Mesmer (1733-1815) verbond de toenemende kennis over magnetisme en elektriciteit van zijn tijd in een therapie waarbij het door hem geconstateerde verstoorde evenwicht van het krachtenveld bij zijn patiënten hersteld werd door magneten en magnetisch geladen voorwerpen met bepaalde delen van het lichaam van de patiënt te verbinden. Deze methode genoot grote populariteit bij de betere standen, met name in Parijs waar Mesmer later naar toe verhuisde. Zijn invloed in Nederland dateert van het eind van de 18e eeuw als staatsman Gijsbert Karel van Hogendorp in 1791 naar Rotterdam reist om proeven met deze geneesmethode persoonlijk bij te wonen. In 1814 verschijnt in Den Haag van de hand van A. Beeler eenoorspronkelijk Nederlands geschrift over het magnetisme en vele vertalingen en Nederlandse geschriften volgen (Tenhaeff "Magnetiseurs, somnambules en gebedsgenezers"; 1951, p.28 e.v.). Het thema krachtvelden blijft in allerlei gedaantes terugkomen gelijke tred houdend met de ontwikkeling van de meer tastbare wetenschap en technologie: röntgenoloog Kilner (1908) met uitstraling van levende wezens, Kirlian fotografie dat de veranderende energie niveaus in lichamen zichtbaar maakt en het bestaan van aura's zou aantonen. Later onderzoek waarbij hersengolven zichtbaar gemaakt worden (Electro Encephalo Gram) leidt tot inventies als de Aleffoon (in 1972 in Nederland geïntroduceerd) die hersengolven hoorbaar maakte en als 'meditatiemachine' gebruikt kon worden en de nu populaire computergestuurde 'brainmachines' waar licht en audiosignalen de gebruiker in verschillende emotionele toestanden kan brengen.




WICHELROEDE EN ZIELEREIS

Een andere tak van de in de traditie van de geomanciers liggende activiteit bestond in aanzet uit het gebruik van takken (soms koperdraad), wichelroedes, om aardstralen, verborgen voorwerpen en verschijnselen (zoals ziekte) op te sporen. Als in de dertiger jaren van deze eeuw de Duitser Gustav Freiherr von Pohl het verband legt tussen kanker en aardstralen, ontstaat een hernieuwde belangstelling voor de wichelroede, die deze aardstralen kan opsporen. Von Pohl ontwikkeling ook een afschermapparaat om aardstralen te neutraliseren. De Nederlander Mieremet gaat bij hem in de leer en introduceert deze methode hier ten lande. In 1936 vind een onderzoek in Rauwerd plaats en na de oorlog, in 1948, trekt een uitgebreid onderzoek in Zandvoort (op verzoek van de burgemeester) nationale belangstelling. Zelfs het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen laat in haar burelen een aardstralenkastje plaatsen. Sceptici ondernemen een antiaardstralen campagne en in de zestiger jaren ebt de aardstralen hausse langzaam weg om recentelijk, een volle cirkel beschrijvend, in de oeroude vorm van het Chinese begrip Feng Shui weer terug te keren. Hierbij gaat het om het in evenwicht brengen van de kosmische adem, de juiste plaats der dingen, van graven der overledenen, tot plaatsing van bouwwerken, huizen en bedden van de levenden. Ook het uit Engeland overgenomen begrip van 'leylines', de lijnen waarvolgens oude megalieten zouden zijn opgesteld, heeft hiermee te maken. De amateurarcheoloog Alfred Watkins ontwikkelde in 1921 een theorie over de betekenis van deze lijnen en sindsdien hebben anderen deze bevindingen verder geïnterpreteerd, zoals UFOlogists die denken dat deze leylijnen krachtrasters zijn die buitenaardse wezens tot navigatiebakens dienen bij hun bezoeken aan de aarde. Het was Simon Vinkenoog die in 1959 een televisieprogramma met de toen populaire schrijver van een boek over UFO's, Adamski, leidde. Tekenend voor die tijd is dat ook koningin Juliana openlijk belangstelling toonde en Adamski op Paleis Soestdijk ontving. Psychoanalist Carl Jung zag de UFO's als een projectie van het onderbewustzijn en daarmee zijn we weer heel dicht bij de sjamanistische zielereis beland.



KLOPGEESTEN EN BANDSTEMMERS

Het spiritisme, het contact met de zielen van afgestorvenen, dringt, via een sensationeel gebeuren in New York in 1848 waar de meisjes Fox geteisterd werden door klopgeesten, bewegende tafels en andere voorwerpen die zonder menselijke aanraking bewogen, tot Nederland door. De klopgeest blijkt de geest te zijn van een in dat huis vermoorde en in de kelder begraven marskramer. Al in 1859 wordt een eerste Nederlandse vereniging van geinterseerden in deze fenomenen opgericht, latere verenigingen volgen, zoals Veritas (1869) en Harmonia in 1888. Deze verenigingen bestuderen 'onverklaarbare verschijnselen' als geluiden zonder oorzaak, lichamen die van gewicht veranderen, schrijven en tekenen in trance, geestverschijningen en dergelijke. Ook hier bepaalt de ontwikkeling van wetenschap en technologie de gebruikte methoden, zo ontstaat alras 'geestenfotografie' en worden stemmen uit de ether via de fonograaf, radio en bandrecorder vastgelegd. In Nederland zijn er o.m. Fred Foks, Hans Kennis en Jos Spijkstra die in het begin van de zeventiger jaren publieke belangstelling als 'bandstemmers' verwerven. Ietsje later, in 1977, organiseert het meditatiecentrum de Kosmos in Amsterdam een symposium over 'Leven en dood', waar de stemmen van "Ghandi, Tagore, Chopin en overledenen uit Dachau en Auschwitz" te horen waren.



HIPPIES EN ANDERE PRIMITIEVE VOLKEREN

De zomer van 1967 is het wendingspunt van de alternatieve beweging in Nederland. Gedurende een kort moment vloeit, niet enkel in Nederland maar in vele Westerse landen, het politieke met het spirituele samen. Lovebeatsters, diggers, beatniks, hippies, provo's komen op publieke plaatsen bijeen, er wordt aan drugs geroken, muziek gemaakt, lichamen beschilderd, gedanst...
Al gauw splitsen de wegen met het sterk opkomen van de nieuwe linkse bewegingen enerzijds en de zoekenden naar het bovenzinnelijke aan de andere kant met een slingerende groep van zich in dope verliezenden daartussen. Vooral de belangstelling voor Oosterse religies is groot, maar in het uit het jongerencentrum Fantasio voortgekomen Meditatiecentrum de Kosmos zijn er zieners die verder kijken: "Ik acht het zeer wel mogelijk dat primitieve kulturen ook zeer sterk in de belangstelling komen, omdat daar het leven nog verschijnt als het minst overwoekerd door allerlei bijverschijnselen", schrijft Nico Tydeman, medeoprichter van De Kosmos, in 1972. Hij haalt de psycholoog Fortmann aan die spreekt van een 'tweede primitiviteit', "waarin we door de fase van onze wetenschappelijk en technies kunnen heen weer met nieuwe oorspronkelijkheid onze wereld beschouwen op een wijze waarop vele primitieve volkeren hun leven in de natuur konden zien" (Religieuze subcultuur in Nederland, DIC Map de Horstink, Amersfoort, 1972, p.13).


VAN NOBELE WILDEN TOT HOLLANDSE INDIANEN OP DE HEI

Het uit de 18e eeuw stammende geïdealiseerde beeld van de 'nobele wilde' was lange tijd onbruikbaar in het op verovering van ruimte georiënteerde wereldbeeld van menig Westerling. Ook al spraken de jongensboeken van Karl May over de indianen to veler verbeelding, het duurde tot het begin van de zestiger jaren van de twintigste eeuw tot dat er van een meer diepgravende belangstelling en beter inzicht in de werkelijke situatie van de NoordAmerikaanse Indianen gesproken kan worden. Het is interessant dat een van de steungroepen voor NoordAmerikaanse Indianen uit de Karl May vriendenclub voortkomt (met het tijdschrift De Kiva dat sinds 1963 verschijnt). Het indianenhobbyisme ontwikkeld zich steeds meer tot politieke steun aan de zich langzamerhand ontwikkelende strijd van de Indianen in NoordAmerika. De aandacht in Amerikaanse culturele undergroundbladen, die ook heel populair in WestEuropa zijn en via ruilabonnementen uitgewisseld worden, brengt langzamerhand meer gedetailleerde informatie over de werkelijke situatie over. Het boek 'Beter rood dan dood' van Steef Davidson uit 1972 is daar een uitdrukking van. Meer directe contacten met de nieuwe Indianenbeweging ontstaan, reizen worden ondernomen en delegaties van Indianen beginnen West Europa te bezoeken. Onder hen ook medicijnmannen, die lezingen en interviews geven. Grote doorbraak zijn acties als de bezetting op het eiland Alcatraz en op het voormalige slagveld van Wounded Knee (1973). Heruitgaven (1962, 1972) van geschriften zoals het oorspronkelijk in 1932 verschenen boek met door John G. Neihardt bewerkte gesprekken met de medicijnman Black Elk, worden door de jongere Indianen als bron voor de traditionele levenswijze gebruikt. Dit is een van de kernboeken die in Nederland door zowel de politiek, als spiritueel geintersseerden gelezen werd. Een tweede Vlaams/Nederlandse groep die zich met Indianen bezighoudt ontstaat in 1970, de WIZA, die zich in aanvang vooral op het lot van de Zuid Amerikaanse Indianen richt.

In 1975 komt de medicijnman Rolling Thunder, die ook met Bob Dylan op toernee was geweest, naar Nederland en geeft voordrachten in onder meer De Kosmos in Amsterdam. De WIZA vormt zich om tot Werkgroep Indianen projekt (WIP) en organiseert in 1980 het IVe Russell Tribunaal over de rechten van de Indianen in de Amerika's, in Rotterdam. Bij deze gelegenheid komen ook vele spirituele leiders naar Nederland over. Het onderwerp van dit tribunaal was wat wijder, zo werd er voor het eerst gesproken over 'inheemse volken' en verbreed het beeld zich van aboriginals in Australië en Papoea's in Nieuw Guinea tot Zigeuners, Molukkers en Lappen. Wat later veranderd de WIP haar naam nogmaals, nu in Werkgroep Inheemse Volkeren. In de tachtiger jaren scheidt het politieke en het spirituele circuit zich steeds meer. Medicijnmannen als Sun Bear en Archie Lame Deer bezoeken in de periode 1983, 1984 de Kosmos in Amsterdam en het bosperceel bij Nijmegen waar de Stichting Elfenbank haar cursussen houdt. Een sweatlodge wordt geplaatst voor de cursisten die inmiddels aanzienlijke bedragen moeten neertellen om al zwetend "de nieuwe oorspronkelijkheid" tot zich te kunnen nemen. Al die belangstelling en cursussen werpen ook resultaten af en zo roepen in 1993 Jan Prins en Titia van der Wees (Searching Deer and Storytelling Woman) gekleed als Noord Amerikaanse sjamanen op de Drentse hei bij Balloo de herfstwinden op. De Werkgroep Inheemse Volken heeft in deze periode in toenemende mate contact met de meer politieke leiders van Indianen en andere inheemse volken. Dit is ook uitdrukking van de splitsing tussen het spriituele en politieke dat zich in de Indianenbeweging zelf aan het voltrekken is.


DIE MENSEN HEBBEN ER NIET VOOR GELEERD

De breedte van het aanbod aan therapieën, rituelen, lezingen en cursussen in de Amsterdamse Kosmos groeit met de jaren. De alles omarmende New Age beweging begint ook in Nederland gestalte te krijgen en de Kosmos is al lang niet meer het enige meditatiecentrum. Tientallen soortgelijke centra worden opgericht en er vindt ook een opvallende verschuiving plaats van activiteiten, eerst gericht op geïnteresseerden, naar opleidingen die tot doel hebben mensen te vormen tot leraren, meesters en therapeuten die ieder op zich weer nieuwe cursisten proberen te vinden. Met deze sprongsgewijze groei neemt ook de professionalisering en onontkoombaar de commercialisering van het esoterische leerstelsel toe. Fikse bedragen moeten worden neergeteld om de vaak langdurige cursussen te kunnen volgen.

De ontstane tegenstelling tussen belangeloos helpen en berekenend genezen wordt duidelijk uit een passage in het voorwoord van een boekje over 'volksgenezers en wonderdoeners in Brabant' van de journalist Johan van Uffelen uit 1989: "Hoewel er soms raakvlakken zijn, gaat het hier ook niet over alternatieve geneeswijzen. De mensen die aan het woord komen hebben er niet voor geleerd. Wat ze doen, zien ze meestal als roeping of als gunst. Ze vertrouwen liever op Onze Lieve Heer dan op een zweverige filosoof uit het verre Oosten. En hun broodwinning hangt er niet van af: ze verkopen geen magnetische sokken of levenselixers." (Helers en heiligen.., p.9)


WIJSHEID VAN DE DORPSSMID

Rake woorden van Johan van Uffelen, die jammer genoeg niet geheel bij de tijd was want er zijn sterke overeenkomsten tussen enkele door hem genoemde genezers in Brabant en dat wat zich in dezelfde Amsterdamse Kosmos ontwikkelt. Zo verhaalt van Uffelen over de dorpssmid Suykerbuik uit Huibergen die naast het beslaan van paarden ook bedreven was in de geneeskunst en er zelfs in 1808 een boekje over schreef. Een van de alternatieve genezers die in de jaren tachtig opgang maakte in Nederland is geen zweverige filosoof uit het Oosten, maar een Hongaarse man die als mijnwerker naar de Belgische Kempen is gekomen en zich later in Brussel na een levenscrisis tot sjamaan ontwikkelde. Het gaat om Joska Soos (geboren in 1921), die in het aan hem gewijde boek uit 1985 van Robert Hartzema vertelt over hoe hij in zijn jeugd door de dorpssmid Tams Bacsi uit Solt ingewijd wordt in de kennis van de Hongaarse vorm van sjamanisme. 'Taltos' worden de sjamanen in Hongarije genoemd en Joska Soos begint zich in 1975 het als kind geleerde weer te herinneren. Soos die begint met het in trance slaan op een wasteil in de huiskamer ontwikkeld zich tot een van de belangrijkste leraren voor de Nederlandse neosjamanen met talrijke optredens en lessen in de Kosmos en andere centra.






















ZONDVLOED VAN THERAPIEËN

In de New Age beweging worden op dit moment vele begrippen gebruikt die verband houden met deelaspecten van het klassiek sjamanisme. De hiernavolgende opsomming, ontleend aan populaire werken over religie, magie en alternatieve geneeswijzen van de laatste jaren uit Nederland geeft een indruk van het onzichtbaar worden van het alles omvattende oerbegin onder een vloedgolf aan termen die de New Age beweging zich toegeëigend heeft:

Alphatraining, Andere realiteit, Aromatherapie, Astrodrama, Aura, Bach remedies, Bioenergetica, Boventoonzingen, Chakra's, Channelen, Danstherapie, Droomlichaam, Edelstenentherapie, Energie, Fonosofie, Fytotherapie, kruidengeneeskunde, Gnosis, Handlijnkunde, Healing, Holistic pulsing, Hypnotherapie, Intuitieve ontwikkeling, Islamitische geneeswijzen, Krachtdier - Krachtsteen -Krachtplant - Krachtboom, Lachmeditatie, Light body, Magnetiseren, Mantra's, Medicijnwiel, Oerdans, Pendelen, Primal scream therapie, Psychometrie, Psychosynthese, Rebirthing, Regressie, Reiki, Reincarnatietherapie, Sacred dance, Smudge, Spirithelper, Sweatlodge, Tarot, Tibetaanse geneeswijzen, Trancereis, Vierde weg, Visualisatie, White brotherhood, Wicca, Wichelroede, Winti.







GEROEPEN WORDEN OF EEN BEROEP OP JEZELF DOEN

Opvallend bij in Nederlandse opererende (tweede generatie) neosjamanen als Kampenhout en Cyriez is dat in hun geschriften weinig verwezen wordt naar de inhoudelijke kant van het traditionele Siberische sjamanisme. Wel wordt door beide auteurs het werk van de Roemeense godsdienstvorser Eliade uit 1951 over sjamanisme aangehaald dat een meer universele betekenis aan het begrip sjamanisme geeft. Hiermee vergeleken lijkt de invloed van de cultuur van NoordAmerikaanse Indianen op de neosjamanen groter, maar ook hier valt op dat de aangehaalde literatuur voornamelijk publikaties betreft die in de afgelopen tien a vijftien jaar gepubliceerd zijn. De overige voornamelijk in Nederland opererende neosjamanen verwijzen eveneens frequent naar NoordAmerikaanse Indianen en veel minder naar het traditionele Siberisch sjamanisme. Carlos Castaneda is en blijft de grote inspiratiebron voor neosjamanen. Velen verwijzen naar zijn in 1968 verschenen boek 'The teachings of Don Juan'(over een ontmoeting met een Indiaanse medicijnman in Mexico en daarmee verband houdende ervaring met peyote en hulpgeesten): "Carlos Castaneda en zijn Don Juan wisten mij uitermate te boeien en mijn verbeelding zo te prikkelen dat ik als het ware zelf de sprong in het ravijn en het vliegen van de adelaar ervoer" (Myriam Ceriez/Sjamanen, 1994, p.7) en "In de zeventiger jaren hadden de boeken van aankomend antropoloog Carlos Castaneda en biografieen van traditionele Medicijnmannen als Rolling Thunder en John Fire Lame Deer de interesse gewekt voor de spirituele tradities van Indiaanse volkeren en de tijd was rijp voor een volgende stap" (Kampenhout/Handboek sjamanisme, 1995, p.17). Dat het gesuggereerde 'nietfictionele' karakter in het boek van Castaneda later in twijfel getrokken werd, als ook systematisch ondergraven is (), schijnt de meeste neosjamanen ontgaan te zijn. Een twaalf jaar later uitgekomen boek, eveneens van een antropoloog, 'The way of the shaman' van Michael Harner, heeft volgens Kampenhout "een ware westerse sjamanistische golf" veroorzaakt. Dat was in 1980 en in de Wehkamp van de in haar nadagen verkerende 'culturele underground beweging', de Whole Earth Catalogue uit 1980 vinden we onder het hoofdstuk 'Learning' een pagina met het thema 'Myth' waar zowel de boeken van Castaneda als die van Harner aangeprezen worden. Over Harner: "An anthropologist who hangs out with shamans tells some hairy adventure stories and proceeds to pass on some safe (if not sane) basics on how to enter the Shaman state of Consciousness and make wholesome use of it." (The Next Whole earth Catalogue, 1980, p.590). Kampenhout heeft kritiek op het 'iedereen kan sjamaan zijn' van Harner: "In de traditionele Siberische culturen wordt vrijwel niemand vrijwillig sjamaan en als iemand zich toch als sjamaan presenteert zonder door de geesten gekozen te zijn maakt hij van zichzelf een lachertje" (ibid. p.16). Kampenhout opent zijn boek met een droomervaring op achttienjarige leeftijd waarbij hij "in een menigte mensen een oude man zag staan die een merkwaardig kostuum van leer droeg, waarop symbolen stonden afgebeeld." Kampenhout loopt naar hem toe ..."toen ik hem aansprak, zei hij dat ik de eerste test had doorstaan door hem te herkennen" (ibid. p.5). Daar iedere roeping van deze aard oncontroleerbaar is zwakt het op z'n minst deze kritiek van Kampenhuis op Harner af: "Michael Harner gaat in zijn boek voorbij aan dit (door de geesten gekozen zijn) essentiële aspect van het traditionele sjamanisme" (ibid. p.17).




HET ULTIEME DEMOKRATISCHE SJAMANISME

Het thema van 'ieder zijn eigen sjamaan' zoals verwoord door Harner in 1980 komt ruim tien jaar later terug in veranderende vorm, nu in New York in het anarchistisch en situationistisch milieu. Het gaat om de publikatie door Hakim Bey (pseudoniem van ..) van de publikatie 'The temporary autonomous zone' (in 1994 in Amsterdam uitgegeven in een Nederlandse vertaling door uitgeverij Ravijn). Hakim Bey geeft een andere interpretatie van het sjamanisme: "Dankzij de etnografie kunnen we de mogelijkheid staande houden van samenlevingen waar sjamanen niet de specialisten van de verbeeldingskracht zijn, maar waar iedereen een speciaal soort sjamaan is. In zulke gemeenschappen fungeert ieder lid (gekken uitgezonderd) als bard & sjamaan voor zichzelf als voor zijn volk." De schrijver geeft voorbeelden van Indiaanse stammen van de Great Plains ('vision quests'); de Pygmeeen ("zij consumeren hun muziek niet maar worden en masse de Stem van het Woud"); Balinese gemeenschappen waar "de kunstenaar geen bijzonder mens, maar ieder mens een bijzondere kunstenaar is"; het ritueel theater van Voodoo en Santeria waar alle aanwezigen "door loa's of orisha's uit te beelden en op te roepen" deelnemen. Al deze voorbeelden brengt Hakim Bey samen onder de noemer 'demokratisch sjamanisme'.



O broeders en zusters, de bloei der verbeelding / laat lang op zich wachten // het is niet eenvoudig te spreken de sneeuwtaal der samojeden // noch is het eenvoudig nog langer een beeld / van verbeten ontroering te leggen....

(Ten Berge/De witte sjamaan)

Met deze strofe uit H.C. ten Berghe zijn we dan eindelijk aan het lijstje met onze voorselectie. In de geest van het onderwerp geven wij die in willekeurige volgorde. Immers, de keuzes van de fragmenten worden ook op spontane niet chronologische of anderszins geordende wijze gemaakt. Men slaat op de trommel en ziet beeld/geluidssequenties met: