Hoe vreemt loopt dese dijck, 
wat seylt hier mennige schuyt,
Hoe vaeren dese witte-broots Keyeren 
met heur Jachten uyt,
Hoe heerlick doet hem de stad op, 
met al die nieuwe huysen.
Dit hiel land, hoor ick,
wert gehouwen met dycken en met sluysen,
't Is wongder, niet waer? 
hoe fray sietmen de Zuer-kerck,
Hoe flickert de Son met weer-lichtend geschimmer
Op die verglaasde daken, en op dat nuw getimmer.

Zuiderkerk 1612: Bredero in anthology, published in 1947, p.35