De krotten die ze heeten te bewonen - vuistslagen in het gezicht der beschaving... in Wouter's tyd! - waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens onvoorwaardelyk. Zoodra 't zomerweer de begoocheling toeliet of aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken bevond, nam het zonderling volkje dit op als 'n sein dat de tyd weer was aangebroken van het leven in de openlucht, en van de terugkeer tot de voorkanaansche zeden .. met uitsluiting evenwel van de sedert lang verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootste gedeelte van 't etmaal tusschen de reien der tenten door. Daat zaten ze, daar lagen ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid, d.i. handel gedreven. Daar leefden zij.
 

Jodenbuurt 1860/1870; published 1872, p.201