Plotseling begon het te regenen. In een oogenblik glimmerde het grauwe asphalt en dropen de paraplu's der zich voortspoedende voorbijgangers. De drie sloegen hun jaskragen open liepen onverstoord verder. Uit de portiek waar ze haastig weggescholen waren, spotten juffrouwen-zonder-paraplu en kantoorheertjes in kale jasjes ze achterna. Ze waren al gauw de dwarsstraat in, waar de trieste schemer neerhing tusschen de oude huizen, waar de keien glibberig waren van de modder. Voor de blinden, vuile gevel van een krottig pakhuis stond een rijtje leege handkarren in den kletsregen te druilen en daartegenover was de gaarkeuken, even grijs, en even druilerig.

Spuistraat (?) 1920's; published 1937, p.119