Op 26 en 27 november 2005 werd in het debatcentrum 'Tumult' in Utrecht een bijeenkomst gehouden waar het gedachtegoed van de Internationale Situationisten uit de vijftiger en zestiger jaren van de afgelopen eeuw centraal stond.
Een van de debatonderwerpen was "verveling, leven en overleven" met een rijtje deskundigen geschikt achter tafeltjes met kleedjes en een microfoon (Justien Marseille, Hans Dijkhuis, Anneke Smelik en Tracy Metz o.l.v. Marjan Slob). Tijdens dit debat - in traditionele zetting met panel-leden en passief geachte toehoorders - schoten mij allerlei verwante zaken door het hoofd: definities van spel, wie was ook weer die Franse filosoof met een slavische naam die over verveling sprak en zelfs Lucretius en 'de afwijkende baan van vallen' wist aan te halen ( Vladimir Jankelevitch), en toen de theorie van de Hongaarse Amerikaan met de onuitsprekelijke naam ("chick-sent-me-high-ee" oftwel Mihaly Csikszentmihalyi) in het debat aan de orde gesteld werd wilde een kerngedachte van hem mij niet in woorden voorde geest komen ("the doing is the thing").
Thuisgekomen viel het me in dat ik een paar jaar terug voor een onderzoek "Speelruimte voor leren" een hele reeks langere citaten tot een bloemlezing verwerkt had en ik besloot dat wat relevant is voor het debat over Situationisten er uit te lichten en op mijn archief-web site te plaatsen... bij deze dan

Tjebbe van Tijen 30/11/2005

 
<

01 dialoog/dialogue
01.01

Book - - author: Vries, Gerrit Jacob de (1905-1990): - Spel bij Plato (1949) [N.V. Noord-Hollandsche Uitgevers Maatschappij; Amsterdam; p.391] ISBN:
->
- University Library Amsterdam: 2422-B25
Dit is, samen met "A Commentary on the Phaedrus of Plato" (1969), een van de hoofdwerken van classicus Gerrit Jacob de Vries, die als Gymnasiumleraar 28 jaar voor de klas heeft gestaan en in 1955 benoemd werd tot hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Dit leraarschap klinkt door in zijn geschriften met vaak zeer lange citaten die het mogelijk maken, zonder al te veel in het onderwerp geschoold te zijn, toch zijn betoog te volgen. In zijn lessen, die gepassioneerd geweest schijnen te zijn, stak hij zijn voorkeur en afkeer niet onder stoelen en banken en schokte soms zijn studenten tot aandacht door een bepaalde Griekse auteur 'kampioen wauwelaar' te noemen. Dat ook hij, in zijn enthousiasme, zich verloor in associatieve uitweidingen, is niet verwonderlijk omdat het dikwijls juist de zijpaden zijn die een wandeling tot een belevenis maken en is dat ook niet de charme van het landschap van de klassieke Griekse literatuur? Het eerste citaat gaat over een passage in Plato's 'Symposium' (Feest) waarin de dichter Agathon Socrates op een feest genodigd heeft. Socrates gaat niet meteen naar binnen, maar wacht eerst peinzend in de portiek voor hij zich bij de feestenden voegt. Agathon biedt Socrates de open plaats naast hem en dan volgt een dialoog waarin het proces van leren geduid wordt. De Vries becommentarieerd dit betoog en maakt ook duidelijk dat het inzicht dat 'leren' van twee kanten moet komen van alle tijd is met zijn verwijzing naar een Nederlands onderwijsvernieuwingsplan vlak na de Tweede Wereldoorlog:

7-16-2002 - 11/30/2005 tj


EEN WISSELWERKING VAN ZIEL EN ZIEL
"Agathon: 'Kom hier bij mij aanliggen, Socrates, dan kan ik door u aan te raken ook genieten van de wijze gedachte, die in de portiek to u gekomen is. Want natuurlijk hebt ge die gevonden en houdt ze nu vast. Anders zoudt ge niet verder gegaan zijn.' Welwillend afwijzen antwoordt Socrates: 'Het zou iets prachtigs zijn, Agathon, wanneer de wijsheid van dien aard was, dat ze van het volle naar het lege stroomde, als wij contact met elkaar hadden, evenals het water, dat door de wollen draad van de volste beker naar de leegste stroomt (Symp. 175 CD)." Hier wordt een dier diepste overtuigingen uitgesproken, die Socrates vervuld hebben en die Plato met hem deelt. Leren en onderwijzen zijn voor hem een probleem: de populaire opvatting, door Agathon vertolkt, die het leren als een zuiver passief en receptief gebeuren ziet, wijst Plato van de hand. Het verkrijgen van inzicht is een veel dieper ingrijpend proces, dan men algemeen denkt. 'De opvoeding is niet zo als de reclame van sommigen het wil hebben. Want zij beweren ongeveer, dat, terwijl er geen kennis in de ziel aanwezig is, zij die er in brengen, als het ware 't gezicht brengend in blinde ogen. Maar ons huidig betoog toont, dat die in iedere ziel aanwezige kracht en het orgaan, waarmee ieder leert, precies als wanneer men een oog niet anders dan met het lichaam in zijn geheel van het donker naar het licht zou kunnen wenden, zo ook met de ziel in haar geheel uit de wereld van het worden omgewend moet worden, tot de ziel in staat is de aanblik van het zijnde en het helderste van het zijnde te verdragen' (Pol. 518 BC). Geen beter middel om deze wending te helpen voltrekken kent Plato dan het wijsgerig gesprek. Of het doel nu is het bewustzijn van een eenvoudige meetkundige verhouding wakker te roepen bij Menno's slaaf, dan wel een beroep, en hoe fel, te doen op Callicles' sluimerend ethisch besef, of om in de Parmenides tot de hoogste abstracties der metaphysica door te dringen, het doel kan alleen bereikt of althans benaderd worden in een wisselwerking van ziel en ziel, waarbij de lerende van zijn kant evenzeer alle krachten moet inspannen als de onderwijzende. Niets verwijt Plato de sophisten scherper dan dat ze lange betogen houden, die hun leerlingen passief moeten aan horen (het protest tegen de "luisterschool" heeft niet op de "vernieuwingsraad" behoeven te wachten!). Afgezien nog van deze passiviteit vreest hij het dogmatische van een eens voor altijd vastgelegde formulering, die zich slechts in het gesprek laat vermijden.
[p.55-56; Vries (1949) Spel bij Plato]

HET GESPREK IS BELANGRIJKER DAN HET RESULTAAT ERVAN
Wanneer niet elke stap gedaan wordt met bewuste instemming van de lerende partij, zou een eenzijdige mededeling van wetenschap het gevolg zijn, die volgens Socrates en Plato nutteloos is. Immers, het gesprek is op zichzelf belangrijker dan het resultaat ervan. Het onderzoek weegt zwaarder dan zijn uitkomst. De dialoog is het eerste, de inhoud ervan het tweede, omdat de dialoog levend en beweeglijk blijft, terwijl bij het begrip, dat het resultaat kan zijn, de verstarring dreigt. Elk denken stelt hij zich voor als verlopend in dialoog-vorm: 'de gedachte is een binnen de ziel zich afspelend stil gesprek (Soph. 263 E, verg. Theaet 189 E).
[p.57; Vries (1949) Spel bij Plato]
 
02 zintuigelijk/sensorial
02.01

Book - - author: Bengtsson, Arvid (1916-): - Adventure playground (1972) [Crosby Lockwood & Son Ltd.; London; p.167] ISBN: 0258968354
->
- University Library Amsterdam: H73-693
Tijdens de Tweede Wereldoorlog en onder de Duitse bezetting begon in Denemarken het eerste experiment met wat internationaal later 'adventure playground' werd genoemd. De idee om kinderen letterlijk de ruimte te geven en materialen aan te dragen om zelf hun eigen speelruimte te maken en vooral voortdurend te veranderen, kwam uit de hoek van lanschapsarchitekten en moderne stedenbouwers die zich bewust begonnen te worden van het steeds kunstmatiger en overgeorganiseerde stedelijk leven waar geen plaats meer is voor avontuur en directe ervaringen met materialen en voorwerpen. Vandalisme is vaak niets anders dan dat kinderen, ondanks alle beperkingen en verboden, zich toch bepaalde gebieden of voorwerpen toe-eigenen. De idee van 'adventure playgrounds' sloeg vooral aan in Scandinavie en Groot Britannie, veel minder in Nederland. In de jaren zestig tot tachtig is er wel sprake van enige pogingen, vooral in 'schopstoel' gebieden aan de rand van steden, die dan vaak veelbetekend 'jongensland' genoemd werden, alsof meisjes daar niet thuis hoorden. Steeds weer nieuwe bouwplannen en over-nette ouders hebben er toe geleid dat er van die vrijplaatsen weinig meer over is. De standaard klimrekken met rubbertegels tegen hersenschuddingen, de onoverkomenlijke glijbaantjes en natuurlijk de zandbakken waar hondenbezitters en kinderbezitters in een voortdurende competitie om strijden, is dat wat onze maatschappij kinderen te bieden heeft. Sterker nog met de opkomst van de spelcomputer is de 'dematerialisering' het verdwijnen van zinnelijke, tastbare ervaringen nog meer afgenomen en zeker niet alleen voor kinderen. Iedere welgemeende gemeente heeft wel zijn bouwpolitie die er op moet toezien dat eigen bouwactiviteiten van volwassenen achterwege blijven. En wij ouders, opvoeders, zijn vaak niet meer dan onbezoldige bouwkoddebeiers die de bouwdrang van kinderen aan banden leggen. De keuze van citaten uit dit fraai met foto's geillustreerde boek, waar plezier en geluk van rommelende kinderen ons toelachen, is over de samenhang van destructie en creatie, over hoe materialen verkend en gekend kunnen worden...

8-27-2002 - 11/30/2005 tj


EXPERIMENT WITH EARTH, FIRE, WATER AND TIMBER
Adventure playgrounds are perhaps the most revolutionary experiment we know for absorbing the interest and releasing the energies of young people. Children the world over have a deep urge to experiment with earth, fire, water and timber. They need to be masters of the materials to hand and be free to move them around to suit their own desires and to create their own order out of seeming chaos. They delight to work with real tools to use them in their own way at their own pace without criticism or censure. Their love of freedom to take calculated risks is recognized and welcomed in adventure platgrounds for these qualities bring their own exhilirating sense of independence and adventure. As Ibsen said 'There is always a certain risk in being alive, and if you are more alive there is more risk'. The children feel liberated in an adventure playground, especially those who live in crowded cities or in over-regulated and over-tidy housing estates. Adventure playgrounds are places where they can test themselves against new challenges in complete freedom and where they can learn to come to terms with the responsibilities of freedom.
[p.8 from the foreword by Allen of Hurtwood; Bengtsson (1972) Adventure playground]

CHILDREN ARE PRIMITIVE CREATURES
I receive increasing appeals from adults who are completely unable to understand what the playground is all about; either they have forgotten how they themselves once played, or else never played at all. My answer to them is that children are primitive creatures; they love to play the stone age man who sets out to explore from his rock shelter or subterranean cave, branches, odd bits of planks, bricks and pipes - all can be put to use in making caves. Building sites, junk yards and similar places have always held a magnetic attraction for children, offerings as they do so many opportunities to use their ingenuity and energies. Many a boy has returned home with a dirty face and grimy hands after his efforts to take a motor apart and make it work again. A great many children have attempted the 'death-jump' on the building site from one level of the scaffolding onto the next. It is the same old story over again, but on a grander scale: like the child who, out of curiosity, takes the alarm clock apart and discovers with delight that the cogwheels, even if no use can be found for them, make excellent spinning tops. The child's imagination is stimulated and his need for discovery fulfilled while playing at mechanic, inventor, scaffolding worker and so on. When he is balancing on a plank at ground floor level he imagines it to be a dizzy height where any wrong step would prove fatal; and when he raises a triangular tent of odd boards and sacks he becomes the Indian Chief Oklotava with a heart of stone. If he is lucky enough to live near a pond, he will sail along happily on an old divan, paddling with an equally ancient shovel, imagining all the while that he is making a daring journey down an unnavigable river. It is for all these things that the town child needs compensation, today, when he is losing all his free play areas - and this is why adventure playgrounds have become a necessity.
[p.21 from a diary of a playleader , John Bertelsen, in one of the first adventure playground in Denmark starting in 1943 ; Bengtsson (1972) Adventure playground]

DEMOLITION A NECESSARY PRELUDE TO CONSTRUCTION.
This playground was intended to be a workshop in which children, in addition to building, could experiment and take things to pieces; where demolition was a necessary prelude to construction. It was much later that I learned just how true this was. At first, I was aware of little more than the 'destructiveness and noise' so easily visible and heard on the adjoining street, and which gave rise to so much controversy. After some three weeks, alll the casual passer-by could see were two battered and tyreless car chasis, completely neglected by everyone. What he did not see where the upholstered seats and tyres used as furniture in the dens, parts of the car bodies making walls and window frames - and neither did he hear the very real interest expressed by different children in the bits of mechanism they had captured which were precious in themselves. (...) The cars were were sometimes hammered viciously for no apparent reason other than the satisfaction gained therefrom. Perhaps this was reason enough. We were, after all, trying to provide a framework within which there would be opportunities for children to follow certain interests, develop talents and release energies not in themselves anti-social but which in the past often bring them into conflict with authority. (...) I do believe that if a child has within him the desire or the viciousness to attack something in this apparently negative way, we ourselves are not being particularly positive or realistic when we endeavour to deny him all opportunities to follow his bent.
[p.30 from a report by Joe Benjamin on the the playground in Grimsby, London in the fifties; Bengtsson (1972) Adventure playground]
 
03 spel/play
03.01

Book - - author: Buytendijk, F.J.J. (1887-1974): - Het spel van mensch en dier - als openbaring van levensdriften (1932) [N.V. Uitgevers-Maatschappij Kosmos; Amsterdam; p.138] ISBN:
->
- University Library Amsterdam: 2833 D3

- Nordic Center for Research on Toys and Educational Media, Halmstad University Sweden ("Child's play: a bodily phenomenon" Rasmussen)
http://www.hh.se/...

- Phenomenology Online ("The first smile of the child" Buytendijk 1947)
http://phenomenologyonline.com/...
Buytendijk en Huizinga hebben beiden over het spel gepubliceerd. Het standaardwerk van Huizinga 'Homo Ludens' kwam in 1939 uit, maar hij publiceerde al in het begin van de dertiger jaren artikelen over dit onderwerp. Beide auteurs hebben elkaar gekend en verwijzen naar elkaar, maar hun benaderingswijze verschilt door het gezichtpunt van hun 'discipline': Buytendijk (dieren) psycholoog en Huizinga (mensen) historicus. Misschien is Buytendijk zijn boek over 'Het spel bij mens en dier' te lang verplichte kost voor studenten geweest om nu nog gewaardeerd te worden, toch is het verrassend om zijn observaties over motoriek, tastzin en kaatsing te lezen, ze zijn direct toepasbaar op gebruik en functie van modern speelgoed. Het lijkt wel of Buytendijk interactie met de hedendaagse spelcomputer voor ogen had toen hij driekwart eeuw geleden schreef over het met het lichaam volgen van virtueele beelden en het niet noodzakelijk zijn van realistische voorstellingen in een spel. Enkel een gedeelte van de woordenschat voor de beschrijvingen van 'het spel' is veranderd, maar 'kaatsen' in plaats van 'feed-back' klinkt mischien nog wel mooier en duidelijker in Nederlandse oren.... Het lijkt er op dat Buytendijk heden ten dage meer gelezen en aangehaald wordt in het buitenland , met als voorbeelden een Japanse/Amerikaanse studie voor een spel-robot in de vorm van een hond (Sony's AIBO) en een recente Zweedse studie over lichamelijkheid van het kinderspel ("the playing body creates virtual worlds"). Ook wordt het gedachtengeod van Buytendijk direkt in verband gebracht met het onderwijs, zoals door Max van Maanen in een artikel over 'phenomenological pedagogy'. Van Maanen vertaalde ook een artikel uit 1947 van Buytendijk over "de eerste lach van het kind" waarin heel de fijngevoeligheid van zijn observatievermogen en redeneerkunst terug te vinden zijn (zie enkele Internet links in de linker kolom).

7-13-2002 - 11/30/2005 tj


AANDOENLIJKHEID EN AANGEDAAN WORDEN
Is het jeugdig organisme primair ongericht en actief en daardoor instabiel, dan volgt hieruit een zeer bijzondere relatie tot de omgeving. Wij willen dit de pathische instelling noemen. Wij ontleenen dit begrip aan Erwin Straus, die deze pathische instelling tegenover de gnostische (berustend op waarneming en herkenning tj.) plaatst. Strauss heeft met een enkel woord de tegenstelling tusschen deze beide verhoudingen van organisme en milieu trachten aan te geven. Pathisch zou n.l. voor alles een 'gegrepen worden', gnostich een 'grijpen' beteekenen. Pathisch is een gevoelsmatige gemeenschap, een aandoenlijkheid en aangedaan worden, de gnostische houding is naar zijn wezen on-emotioneel, op voorwerpen in hun objectief bestaan gericht, op kennen en kennis.
[p.20; Buytendijk (1932) Het spel van mensch en dier]

TASTEND SPEL
Want leerden wij reeds als een eigenschap van het spelen kennen, dat het altijd een spelen met iets is, deze binding aan dat iets komt voor alles door doen en door tasten tot stand, niet door zien, hooren, ruiken of proeven. De verschillende zintuigen zijn ten aanzien van het spel niet gelijkwaardig en bezitten ook een verschillende relatie tot de motoriek, het bewegen van het lichaam. De tastzin brengt ons niet alleen met dingen in onmidellijk contact ook met de ervaring van ons 'Dasein'.
[p.49; Buytendijk (1932) Het spel van mensch en dier]

MOTORISCHE UITINGEN VAN ZINBEELDEN
Uit nieuwere onderzoekingen over de zintuigelijke waarneming blijkt, dat het pathische moment (moment van door iets 'gegrepen' worden tj.) in elke waarneming met een virtueele of sensorische beweging gepaard gaat. Deze virtueele beweging deelt zich aan vele deelen van het zenuwstelsel mede (resoneert zou men kunnen zeggen) en voert tot representeerdende motorische uitingen, welke dus hiervan zinbeelden, letterlijk richtingsbeelden zijn. De z.g. imitatiedrang is dus wel een zeer oorspronkelijk dierlijk verschijnsel. Zoo volgt iemand de biljartbal met de tong of met de voet en openbaart daarmede, naar mijne meening een van de gronden van het spel, n.l. de reproductie van dynamische vormen.
[p.87; Buytendijk (1932) Het spel van mensch en dier]

IETS SPEELT MET MIJ
Het spel begint met een beweging, waarvan het gevolg niet geheel berekenbaar is, een verrassend element in zich draagt. Dit komt, omdat de beweging zich aan iets voltrekt (bijv. een bal) of op een medespeler is gericht, welk iets of speler zelf dynamische eigenschappen heeft, die ten deele onberekenbaar zijn. Het bewegingsgevolg geeft opnieuw een beweging. De activiteit van den speler loopt dus niet regelmatig af, maar wordt steeds weer opgewekt. De impuls wordt als heen, het terugkeerend effect als 'terug' ervaren. Kaatst men met een bal op den grond, zoo is dit zonder meer duidelijk. Zoo ook bij tennis of voetbal, bij schaken, kaarten enz, Het spelen met iets is dus niet alleen, dat ik met iets speel, maar ook, dat iets met mij speelt! Daarom is in het meest ontwikkelde spel een medespeler aanwezig (stoeien enz.), terwijl in alle andere spelen, waar men iets speelt, een onevenwichtigheid bestaat, die tot een minder ontwikkelde spelvorm voert.
[p.90-91; Buytendijk (1932) Het spel van mensch en dier]

DE EENVOUD DEMONSTEERT DE VEELVOUD VAN DE WERKELIJKHEID
Het feit, dat elk beeld mogelijkheden in zijn 'beeldachtigheid' bezit of als verschijnend beeld ook over zich zelf heenwijst, is een eigenschap, die in het zin-beeld, het symbool in nog hooger mate naar voren treedt. Wanneer dus in het spel vervangende objecten (symbolen, fetischen) als object gekozen worden en zich juist hieraan het spel in alle hevigheid ontwikkelt (pop, stokpaardje), dan komt dit, omdat deze zijde van de 'bildhaftigkeit' zoo sterk daarin uitkomt en wordt doorleefd. Daarom verwerpt het kind de werkelijkheid nabijkomende, zakelijk 'objectief' zijnde, pop en verkiest de 'schijn' (pop enz.), die den zin van het werkelijke slechts in beeldvorm brengt, en in zijn eenvoud, de veelvoudigheid van het werkelijke slechts als mogelijkheid demonstreert, niet als werkelijkheid.
[p.103-104; Buytendijk (1932) Het spel van mensch en dier]

ZORGELOZE VREUGDE
Ik wil hier aan de hand van een fijngevoelig auteur (Schaller) over het spel het bovenstaande toelichten. "Het kind leeft veel meer in een ideale wereld, geeft zich aan zijn zorgelooze vreugde onbevangen over, verheugt zich over zijn doen, zonder op blijvende resultaten bedacht te zijn. Is dit niet spelen in den vollen zin? Behoort het verder niet tot het spel, dat de spelende zelf zich daarin van den ernst van het geestelijke leven (het begripmatige) bevrijdt, zich hier tegenover plaatst, zich eruit teruigtrekt? Als de jongen op een stok rijdt, zoo zien wij, dat elk verschijnsel hem imponeert. Hoe stelt hij nu het rijden in zijn spel voor? Dat de stok met het werkelijke paard weinig overeenkomst bezit, hindert hem niet. Hij kan tenminste zijn been over de stok slaan, zooals de ruiter bij het paard en het einde van de stok als de teugels in de hand houden of er een touw aanbinden. Terwijl nu de echte ruiter zich door het paard laat dragen, neemt de rijdende knaap zelf de beweging van het paard over. Hij loopt, springt, galoppeert als een paard."
[p.104; Buytendijk (1932) Het spel van mensch en dier]

DOOR DE FANTASIE GEVORMDE LOKKING NAAR HET ONBEKENDE
Het positief getrokken worden in de spelspheer door de lokking, door de binding aan het beeld met zijn mogelijkheden is de algemeenste oorzaak voor het spel en geldt zeker voor den volwassen mensch in bijzondere mate. Maar ook de door de phantasie gevormde lokking naar het onbekende voert tot spel, tot spel met het lot, tot spelen met het gevaar (in vele sportspelen). Onze beschouwing verklaart ook, waarom in het spel het levende en vooral ook de soortgenoot als speelobject wordt verkozen, ten eerste geschiedt dit om de redenen, die uit vroegere gezichtspunten betreffende het spel blijken n.l. omdat het levende en gelijksoortige meer dan iets anders door zijn activiteit, zijn heen en weer gaande beweging, het spel onderhoudt en bovendien door zijn spontaniteit het moment van spanning en ontspanning versterkt. Ten tweede vindt men in het spelen met het levende en vooral met den sortgenoot ook erotische momenten, ook de zelfhandhaving enz. (...)
[p.108-109; Buytendijk (1932) Het spel van mensch en dier]
 
03.02

Book - - author: Huizinga, Johan (1872-1945): - Homo Ludens; proeve eener bepaling van het spel-element der cultuur (1938/1940) [H.D. Tjeenk Willink & Zoon N.V.; Haarlem; p.315] ISBN:
->
- University Amsterdam: Institute 413: CA 72-019

- Julian Barker (Artist Julian Barker has a special interest for 'ludology' and has posted his "Investigation of play studies" on his website as a Microsoft Word document. The article is usefull for the wide variety of authors/thinkers mentioned, it will help put Huizinga's study in a new context. One 'slip' that leads Barker to wrong conclusions is that he thinks that "Homo Ludens" has been published after WWII in 1948.)
http://www.julianbarker.org/...
"Homo Ludens", de spelende mens, de klassieke tekst over 'het spel', geschreven aan de vooravond van een weinig speels tijdperk, de Tweede Wereldoorlog, gelijk al in het Duits vertaald met een uitgave in 1940 die waarschijnlijk vlak voor de Duitse inval in Amsterdam werd uitgegeven. Vlak na de oorlog volgde een Amerikaanse vertaling, dan een Italiaanse en even later een Franse. Dat was nog maar het begin van een voortdurende wereldwijde belangstelling. Voorzover, dankzij de verzamelwoede van de Universiteits Bibliotheek Leiden en enkele andere catalogi, na te gaan, is dit werk van Huizinga op zijn minst in twaalf talen vertaald (o.m. Zweeds, Russsich, Bahasa Indonesia, Spaans, Bulgaars en Japans). De referenties naar de verhandelingen van Huizinga over 'het spel' moeten in de duizendtallen geteld worden. De invloed van de gedachten in dit boek zijn groot: van de kunstenaarsgroep Cobra, de daarmee in verband staande Situationisten en later ook zijdelings de Provobeweging, tot het na zijn dood ontstane antropologen debat over de betekenis van het spel. Zo zijn er ook recente verwijzingen naar het concept 'Homo Ludens' te vinden in aandachts- en kennisgebieden als stadsontwikkeling en culturele analyses van computerspelen. Het zou niet goed zijn als zo een klassieker geen kritiek zou uitlokken en ik heb enkele verwijzingen getraceerd van antropologen en filosofen die de opvattingen van Huizinga ter discussie stellen en soms ook schijnen neer te sabelen. Jammer genoeg heb ik betreffende teksten nog niet in een Amsterdamse bibliotheek kunnen terug vinden, zodat ik tot mijn spijt mijzelf en de lezer in het ongewisse moet laten over wat daar beweerd wordt. Ook enkele auteurs die in dit overzicht van teksten met betrekking tot 'leermethodes' aan gehaald worden verwijzen naar Huizinga's 'Homo Ludens' en doen dat vaak met enige kritiek en voorbehoud (Ello Paul en Vladimir Jankelevitch), maar zij zoeken naar mijn mening teveel naar strakke definities bij Huizinga (daar was hij niet op uit), in plaats van zich te laten meeslepen door de kracht en pracht van zijn taal, oordeelt u zelf...

7-5-2002 - 11/30/2005 tj


HET SPEL IS ONREDELIJK
Maar met het spel erkent men, of men wil of niet, den geest. Want het spel is, wat ook zijn wezen zij, niet stof. Het doorbreekt, reeds in de dierenwereld, de grenzen van het physisch bestaande. Het is ten opzichte van een gedetermineerd gedachte wereld van louter krachtwerkingen in den volsten zin des woords een superabundans, een overtolligheid. Eerst door het instroomen van den geest, die de volstrekte gedetermineerdheid opheft, wordt de aanwezigheid van het spel mogelijk, denkbaar begrijpelijk. Het bestaan van het spel bevestigt voortdurend, en in den hoogsten zin, het supralogisch karakter (het logische ten boven gaande tj.) van onze situatie in den kosmos. De dieren kunnen spelen, dus zij zijn reeds meer dan mechanismen. Wij spelen, en weten, dat wij spelen, dus wij zijn meer dan enkel redelijke wezens, want het spel is onredelijk.
[p.5; Huizinga (1938/1940) Homo Ludens]

DE BANDEN TUSSEN SPEL EN SCHOONHEID ZIJN HECHT
Hoe meer wij trachten den vorm spel van andere, schijnbaar verwante vormen des levens af te grenzen, hoe meer zijn verregaande zelfstandigheid in het licht treedt. En wij kunnen nog verder gaan met dit uitzonderen van het spel uit de sfeer der groote categorische tegenstellingen. Ligt het spel buiten de onderscheiding wijsheid - dwaasheid, het ligt evenzeer buiten die van goed en slecht. In het spel op zich zelf, hoewel het een werkzaamheid van den geest is, ligt geen moreele functie, noch deugd, noch zonde. Indien het spel niet regelrecht te verbinden is met het ware noch met het goede, ligt het dan bij geval binnen het aesthetische gebied? Hier weifelt ons oordeel. De hoedangheid van schoon te zijn is niet inhaerent aan het spel als zoodanig, doch dit heeft een neiging, zich met allerlei elementen van schoonheid te verbinden. Aan de meer primitieve vormen van het spel hechten zich van aanvang af blijheid en bevalligheid. De schoonheid van het bewegende menschelijke lichaam vindt haar hoogste uitdrukking in het spel. In zijn hooger ontwikkelde vormen is het spel doorstrengeld van rhytme en harmonie, die edelste gaven van het aesthetisch perceptievermogen, die den mensch geschonken zijn. De banden tusschen spel en schoonheid zijn hecht en veelvuldig.
[p.9-10; Huizinga (1938/1940) Homo Ludens]

BEVOLEN SPEL IS GEEN SPEL MEER
Alle Spel is allereerst en bovenal een vrije handeling. Bevolen spel is geen spel meer. Hoogstens kan het de verplichte weergave van een spel zijn. Reeds door dit karakter van vrijheid gaat het spel den loop van het natuurproces te buiten. Het voegt zich daaraan toe, het legt zich er over heen als een tooi. (...) Men zou kunnen zeggen: deze vrijheid bestaat voor het jonge dier en voor het kind niet; zij moeten spelen, omdat hun instinct het hun gebiedt, en omdatg het spel dient tot ontplooiing van hun lichamelijke en selectieve vermogens. Doch met invoeren van den term instinct verschuilt men zich achter een x, en met het vooropstellen van de veronderstelde nuttigheid van het spel zou men een petitio principii (een bewijsgrond die ten onrechte als reeds bewezen wordt aangenomen tj.) begaan. Het kind en het dier spelen, omdat zij er lust in hebben, en daarin ligt hun vrijheid.
[p.11; Huizinga (1938/1940) Homo Ludens]

HET SPEL IS HERHAALBAAR
Het spel zondert zich van het gewone leven af in plaats en duur. (...) Het 'speelt zich af'. Zoolang het gaande is, is er beweging, heen en weer gaan, afwisseling, beurt, knooping en ontknooping. Onmiddellijk aan zijn tijdelijke begrensdheid verbindt zich nu een andere merkwaardige qualiteit. Het spel fixeert zich terstond tot cultuurvorm. Eens gespeeld, blijft het als een geestelijke schepping of schat in de herinnering achter, wordt overgeleverd, en kan ten alle tijde herhaald worden, hetzij onmiddellijk, zooals een kinderspelletje, een spel triktrak, een wedloop, of na lange tusschenpoos. Deze herhaalbaarheid is een der wezenlijkste eigenschappen van het spel. Zij geldt niet alleen voor het spel als geheel, maar ook voor den inwendigen bouw van het spel. In bijna alle hooger ontwikkelde spelvormen zijn de elementen van herhaling, refrein, beurtwisseling, als schering en inslag.
[p.14-15; Huizinga (1938/1940) Homo Ludens]

HET SPEL IS TIJDELIJKE VOLMAAKTHEID
Treffender nog dan zijn tijdelijke begrenzing is de plaatselijke begrenzing van het spel. Elk spel beweegt zich binnen zijn speelruimte, die hetzij stoffelijk of denkbeeldig, opzettelijk of als van zelf sprekend, van te voren is afgebakend. Gelijk er formeel geen onderscheid is tusschen een spel en een gewijde handeling, dat wil zeggen, dat de heilige handeling zich in dezelfde vormen als een spel voltrekt, zoo is ook de gewijde plek formeel van een speelruimte niet te onderscheiden. De arena, de speeltafel, de toovercirkel, de tempel, het tooneel, het filmscherm, de vierschaar, het zijn alle, naar vorm en functie, speelruimten, d.w.z. gebannen grond ('bannen' in zijn oude vorm betekent hier 'op plechtige wijze bijeenroepen of toewijzen' tj.), afgezonderde, omheinde, geheiligde terreinen, waarbinnen bijzondere eigen regels geldig zijn. Het zijn tijdelijke werelden binnen de gewone, ter volvoering van een gesloten handeling. Binnen de speelruimte heerscht een eigen en volstrekte orde. Ziehier meteen een nieuwe, nog meer positieve trek van het spel: het schept orde, het is orde. Het verwezenlijkt in de onvolmaakte wereld en het verwarde leven een tijdelijke, beperkte volmaaktheid. De orde die het spel oplegt is absoluut. De geringste afwijking daarvan bederft het spel, ontneemt het zijn karakter en maakt het waardeloos. In deze innige verbondenheid aan het begrip orde ligt ongewtijfeld de reden, waarom het spel, gelijk wij hierboven reeds terloops opmerkten, voor zulk een groot deel binnen het terrein van het aesthetische gelegen schijnt. Het spel, zeiden wij, heeft een neiging om schoon te zijn. Die aesthetische factor is wellicht identiek aan den dwang tot het scheppen van geordenden vorm, die het spel in al zijn gedaanten doordringt.
[p.15-16; Huizinga (1938/1940) Homo Ludens]
 
03.03

Book - - author: Vos, Toby (1918-): - Wat zal ik nu eens doen?; een bont boek om te knutselen, zelf spelen te maken, te goochelen en toneel te spelen om spelletjes te doen en te puzzelen voor kinderen van 7-11 jaar (1954) [Cantecleer; Utrecht; p.92] ISBN:
->
- University Library Amsterdam: FG93-202
Dit is een boek uit mijn eigen jeugd... dat ik, o wonder, via de computer catalogus van de Universiteitsbibliotheek met zijn vier en een half miljoen delen, niet geheel toevallig terugvond. Het was een van de 385 boeken die het woord "spelen" in de titel hebben. Ik ontdekte dat mijn latere passie voor het 'schaduwtheater' al in dit boek te vinden was (schaduwspelletjes) en herinnerde het truukje met de "zwemmende papieren vis", voortgestuwd door een druppeltje olie; "weet je hoe dat komt?" vraagt de auteur en legt het uit... De heldere en gecontrasteerde zwart-wit tekeningen van fors formaat maken het boek tot een visueel plezier en tevens tot een praktische en simpele handleiding voor zelf doen. Het kind was nog nauwelijks een object van de consumentenindustrie en schaarste was een nog een dagelijks gegeven in het begin van de vijftiger jaren van de vorige eeuw, vlak na de Tweede Wereldoorlog. plaatjes pagina selecteren

7-5-2002 - 11/30/2005 tj


ZELF OOK IETS NIEUWS BEDENKEN
Als je nog even weten wilt, wat je nodig hebt voor het knutselgedeelte van dit boek is dat gauw verteld! Want het is niet veel meer dan: luciferdoosjes, een paar klosjes, wat oude lapjes, karton, punaises, een oud laken, meloenpitten, denneapples, schelpen, gordijnringetjes en dergelijk klein spul! (...) Dit boek zorgt er ook nog voor, dat jezelf ook iets nieuws bedenken gaat. Er staat telkens iets in, waarna je denkt: "O, maar als dat zo gaat, dan kan ik zelf nog zo iets doen!" je zult eens zien, dan ga je een schrift opzoeken, om al je eigen bedenksels in op te schrijven. Zo maak je zelf een knutsel- en grapjesboek. En dat is heel prettig, want dan heb je er twee!
 
03.04

Book - - author: Nieuwenhuys, Constant (1920-): - Opstand van de Homo Ludens; een bundel voordrachten en artikelen (1969) [Paul Brand; Bussum; p.148] ISBN:
->
- University Library Amsterdam: P69-6425

- ? (Een projekt van Delfste bouwkunde studenten uit 1999 over Constant Nieuwenhuys New Babylon, )
http://www.bk.tudelft.nl/...
Constant was een van de oprichters van de internationale kunstenaarsgroep COBRA (Copenhague, Bruxelles, Amsterdam) met voornamenlijk schilders, maar ook literair gericht personen als de Belgische kunstcriticus Dautremont. Constant was naast zijn beeldende activiteiten ook degene die zich in teksten uitdrukte en verschillende manifesten schreef in het blad van de COBRA-groep 'Reflex'. Hierbij werd ondermeer 'de vrije creativiteit van het kind' onder de aandacht gebracht (zoals in de praktijk gebracht door met name Karel Appel) en ook de bijzondere elite-positie van de kunstenaar ter discussie gesteld. Enkele leden van de COBRA-groep namen later deel aan de merendeels Franse bewegingen van lettristen en situationisten die, in het begin van de vijftiger jaren, een radikale kritiek op de maatschappij ontwikkelden. Vertraagd door de Tweede Wereldoorlog werd het boek 'Homo Ludens' van Huizinga in het begin van de vijftiger jaren in het Frans vertaald en de idee van de 'spelende mens' oefende een sterke invloed uit op de theorieen van de situationisten die de samenleving wilden veranderen door de algemene deelname aan steeds wisselende creatieve handelingen (situaties). Constant ontwikkelde in deze periode ook zijn concepten voor stad- en landstructuren waar de de vrije spelende mens kon rondtrekken en van het leven genieten: Nieuw Babylon. Deze optimistische visie van een post-industrieele maatschappij, niet geplaagd door ecologische problemen en ongelijkheid van mensenmassa's in de verschillende werelddelen (Derde Wereld), is het waard gelezen te worden, in het huidige tijdperk met een overmaat aan doemdenken.

7-6-2002 - 11/30/2005 tj


SPEL IS TEGENGESTELD AAN NUT
Maar kunst is spel en spel is tegengesteld aan nut. Het is, zoals Huizinga zegt, 'niet het gewone of eigenlijke leven. Het is een uittreden daaruit in een tijdelijke sfeer van activiteit met een eigen strekking' (Homo ludens). Dit gaat echter alleen op in de 'utilitaristische' maatschappij, de maatschappij die voortdurend met een dreigend produktietekort heeft te kampen, waardoor verreweg het grootste gedeelte van de mensen een leven lang hard moeten werken om zich een krap bestaan te veroveren. Waar overvloed is, verliest het nut zijn betekenis en behoeft het spel niet een vlucht te zijn uit de dagelijkse werkelijkheid. Huizinga noemt het het spel 'allereerts en bovenal een vrije handeling'. Maar vrijheid is een functie van de produktiviteit. De voortbrenging van primaire levensgoederen is noodzakelijkerwijze de eerste zorg van de mens, en pas wanneer aan zijn behoefte aan voedsel, kleding, behuizing, voldaan is, is hij in staat de energie die hem eventueel rest aan andere 'ludieke' activiteiten te wijden. Brood is voor de mens belangrijker dan vrijheid. De vrijheid begint hem pas te interesseren wanneer hij verzadigt is, en daarmee in de situatie gekomen waarin hij zijn vrijheid kan realiseren. De realisatie van de vrijheid is het spel.
[p.20; Nieuwenhuys (1969) Opstand van de Homo Ludens]

ALLEN KUNSTENAAR
De historische bijdrage van het surrealisme ligt in het verworven inzicht, dat de creatieve daad aan een wezenlijke behoefte van de mens beantwoordt en de realisatie is van zijn sociale vrijheid. Lautreamonts slogan 'La poesie doit etre faite par tous, non par un' (poezie dient door allen gemaakt te worden, niet door een) hebben zij ontdekt en tot de hunne gemaakt. Een poezie die wordt voortgebracht door alle mensen te zamen is echter slechts te realiseren in een maatschappij waarin voor niemand meer een materieel tekort bestaat, in een maatschappij van de overvloed, waarin de produktiekrachten gerationaliseerd zijn, waarin alle arbeid door machines verricht wordt en de mens bevrijd is van de slavernij van de arbeid, waarin het recht op vrije consumptie voor ieder bestaat, een maatschappij waarin het creatief potentieel van de gehele mensheid actief is geworden. En in zo'n maatschappij heeft de kunstenaar geen reden van bestaan meer.
[p.33; Nieuwenhuys (1969) Opstand van de Homo Ludens]

AGRESSIVITEIT EN CREATIEVE DRIFT
Deze massajeugd, vrijer, welvarender en talrijker dan ooit tevoren, wordt gedreven door een dadendrang die in een leegte slaat, die gefrustreerd moet blijven. Deze drang is niet langer in toom te houden, zij zal zich, hoe dan ook, steeds sterker doen gelden. Tot het moment waarop de sublimering van deze drift tot creatieve drift, 'speel-drift', mogelijk zal zijn geworden, zal zij zich uiten in agressiviteit, en zich keren tegen alles wat haar bevrediging in de weg staat. Zij zal niet rusten voordat de gehele superstructuur vernietigd is, daar helpt geen verontwaardiging, geen protest, zelfs geen geweld tegen. De opstand van de creatieve mens tegen de moraal en de instellingen van de utilitarische maatschappij zal niet eindigen voordat de ludieke maatschappij een feit is. De grote non-stop happening die wij te verwachten hebben wanneer de creatieve potentie van de gehele mensheid eenmaal ontketend wordt, zal het aangezicht van de aarde net zo ingrijpend veranderen als de organisatie van de produktiearbeid dit gedaan heeft sinds het neolithicum. Het tijdperk van de homo ludens ligt voor ons.
[p.48; Nieuwenhuys (1969) Opstand van de Homo Ludens]

LATENT AANWEZIGE LUDIEKE DRANG
Het doel van recreatie kan geen ander zijn dan het herscheppen van de tijdens de arbeid verloren gegane energie, de ontspanning die volgt op de inspanning van de arbeidsprestatie. De ideale recreatie dus is rust, of op zijn minst passiviteit: het passief ondergaan van schouwspelen, zoals wedstrijden of televisie-uitzendingen of het zich per auto laten vervoeren langs onbekende landschappen, zoals in het toerisme. Waar het echter om gaat, en waar het met het toenemen van de vrije tijd onder invloed van de automatisering steeds meer om zal gaan, is niet zozeer het herwinnen van verloren gegane energie, als wel het omzetten van overgeschoten energie in activiteit en wel in activiteit die van een geheel ander karakter is dan de arbeid, dezelfde activiteit dus, die de niet-werkende heersende klassen altijd ontwikkeld hebben en die de oorzaak is geweest van het ontstaan van de culturen, de ludieke en creatieve activiteit waartoe de drang in ieder mens latent aanwezig is, maar die in verreweg de meesten niet tot gelding heeft kunnen komen.
[p.119; Nieuwenhuys (1969) Opstand van de Homo Ludens]
 
03.05

1
2


Book - - author: Csikszentmihalyi, Mihaly (1934-): - Beyond boredom and anxiety; the experience of play in work and games (1975) [Jossey Bass Publishers; San Francisco/Washington/London; p.231] ISBN:
->
- University Library Amsterdam: H79-497
Hoe kunnen piekervaringen van klimsporters, volleyballers, schakers, rock dansers en chirurgen de weg wijzen naar een gelukkiger leven? Het lijkt een absurde vraag, maar de van oorsprong Hongaarse Amerikaanse psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi (spreek uit op z'n Amerikaans "chick-sent-me-high-ee", ) weet het ons met verve uit te leggen. Hij houdt zich, men zou kunnen zeggen bij uitzondering, bezig met de positieve kanten van de psychologie, niet de kwaal of het disfunctioneren wordt door hem onderzocht, maar juist het omgekeerde, het maximaal goed functioren, de diepe bevrediging, het plezier in een bepaalde activiteit. Csikszentmihalyi creerde geen test- of meetsituaties voor menselijke gedragingen, hij was meer geintereseerd in de innerlijke beleving van mensen en gebruikte de methode van interviews en vragenformulieren om er achter te komen waaruit die positieve ervaring nu eigenlijk bestaat, hoe die tot stand kan komen. Ook bij herlezing viel niet te ontdekken hoe de onderzoeker nu tot deze curieuse keuze van sport en beroepsactiviteiten voor zijn onderzoek gekomen is, maar in de veelvoud aan mogelijkheden is iedere keuze wellicht desperaat en dus even verklaarbaar als aanvechtbaar. Wel is bekend dat de auteur ook een langdurige interesse voor de beoefenaars van creatieve beroepen (kunstenaars, musici, wetenschappelijke onderzoekers) heeft en ook daarvan zijn meerdere sporen in deze studie te vinden. Niet enkel het hoe en waarom van plezier in werk en spel interesseert Csikszentmihalyi, hij is er ook op gebrand om deze kennis toe te passen op dat enorme gebied van arbeid en onderwijs waar het plezier dikwijls ver te zoeken is. Eveneens probeert hij in het dagelijkse leven sporen van dit bevredigende gevoel, dat hij onder het woord 'flow' (meegevoerd worden) samenvat, te ontdekken, de "noodzakelijke" onnoodzakelijkheden: de korte momenten van ontspanning, de babbel op het werk, het wiebelen met benen, gesticuleren en 'droedelen' op papier. Nu, een kwart eeuw later, is Csikszentmihalyi nog steeds met dit onderwerp bezig, de al te gemakkelijke toepassingen, van "hoe kan ik in zeven stappen een 'flow-ervaring' krijgen", konden niet uitblijven, zeker niet in Amerika, maar dat maakt het oorspronkelijke werk uit 1975 er niet minder interessant om. In deze contekst moet nog vermeld worden dat Csikszentmihalyi nu professor is aan de universiteit van Chicago met als leeropracht "Human Development and Education".

7-23-2002 - 11/30/2005 tj


ENERGY FOR GOALS WITH NO CONVENTIONAL MATERIAL REWARDS
The commonsense assumption is that extrinsic rewards like money and status are basic human needs - or, in behaviorist terms, primary reinforcers. If this were true, it would be quite hopeless to try substituting satisfaction with one's job for external rewards. But there are good reasons to believe that striving for material goods is in great part a motivation that a person learns as a part of his socialization into a culture. Greed for possessions is not a universal trait. Anthropological evidence shows that there are cultures in which material goals do not have the importance we attribute to them. Even in our society, children have to learn 'the value of the dollar'; only because every accomplishment in our culture has a dollar tag to it do children learn to appreciate financial rewards above all else. Other evidence that supports this view is the presence of people, within our society, who choose to expand energy for goals that carry no conventional material rewards. These are the people we deal with in the present study, hoping to learn from them the dynamics of intrinsic motivation. But why should one worry about extrinsic (van buiten af tj.) rewards? If they are succesful, why try to moderate their effect with recourse to intrinsic (van binnen uit tj.) motives? The fact is that the ease with which external rewards can be used conceals real dangers. When a teacher discovers that children will work for a grade, he or she may become less concerned with whether the work itself is meaningful or rewarding for students. Employers who take for granted the wisdom of external incentives may come to believe that workers' enjoyment of the task is irrelevant. As a result, children and workers will learn, in time, that what they have to do is worthless in itself and that its only justification is the grade or paycheck they get at the end. This pattern has become so general in our culture that by now it is self-evident: what one must do cannot be enjoyable. So we have learned to make a distinction between 'work' and 'leisure': the former is what we have to do the most of the time against our desire; the latter is what we like to do, although it is useless. We therefore feel bored and frustrated on our jobs, and guilty when we are at leisure. Among the consequences of such a state of affairs is the deep-seated alienation of workers in industrial nations (...).
[p.2-3; Csikszentmihalyi (1975) Beyond boredom and anxiety]

ENJOYMENT HERE AND NOW
The simple goal of this study is to understand enjoyment, here and now - not as a compensation for past desires, not as a preparation for future needs, but as an ongoing process which provides rewarding experiences in the present. Therefore, the model used in this investigation requires a subtle shift in assumptions. Instead of approaching 'enjoyment' as something to explained away in terms of other conceptual categories like 'survival function' or 'libidinal sublimation', we try to look at it as an autonomous reality that has to be understood in its own terms.
[p.9-10; Csikszentmihalyi (1975) Beyond boredom and anxiety]

FLOW: ACTING WITH TOTAL INVOLVEMENT
But what is this 'autotelic' (auto = zelf + telos = doel/bedoeling tj.) experience that motivates people to pattern their lives in ways so inimical to conventional wisdom? It is easier, at first, to say what the experience is not like. It is not boring, as life outside the activity often is. At the same time, it does not produce anxiety, which often intrudes itself on awareness in 'normal' life. Poised between boredom and worry, the autotelic experience is one of complete invbolvement of the actor with his activity. The activity presents constant challenges. There is no time to get bored or to worry about what may or may not happen. A person in such a situation can make full use of whatever skills are required and receives clear feedback to his actions; hence, he belongs to a rational cause-and-effect system in which what he does has realistic and predictable consequences. From here on, we shall refer to this peculiar dynamic state - the holistic sensation that people feel when tey act with total involvement - as 'flow'. In the flow state, action follows upon action according to an internal logic that seems to need no conscious intervention by the actor. He experiences it as a unified flowing from one moment to the next, in which he is in control of his actions, and in which there is little distinction between self and environment, between stimulus and response, or between past, present, and future.
[p.35-36; Csikszentmihalyi (1975) Beyond boredom and anxiety]

THE DOING IS THE THING
... flow experience can be found in activities other than games. Onse such activity is creativity in general, including art and science. The composers and dancers in our sample described their feelings in ways that did not differ substantially from the descriptions from climbers or chess-players. Surgeons involved in medical research and mathematicians working on the frontiers of their field answered the interviews in terms that were almost interchangeable with those used by players. (...) Besides play and creativity, experiences analogous to flow have been reported in contexts usually called 'transcendental' or 'religious'. Maslow's peak experiences and De Charms's 'origin' state share many distinctive features with the flow process. The same is true of accounts of collective ritual; of the practice of Zen, Yoga and other forms of meditation; or of practically any form of religious experience. In a variety of human contexts, then, one finds a remarkably similar inner state, which is so enjoyable that people are sometimes willing to forsake a comfortable life for its sake. In many cases, the importance of the experience is blurred by what appear to be the external goal of the activity - the painting that the artist wantgs to create, the theory that the scientist strives to prove, or the grace of God that the mystic seeks to attain. On a closer look, these goals lose their substance and reveal themselves as mere tokens that justify the activity by giving it direction and determining rules of action. But the doing is the thing. We still have to hear of an artist who packed up his brushes after completing a painting, or even paid much attention to a canvas after it was finished; or of a scientist who felt rewarded enough by a discovery to cease his investigations. Achievement of a goal is important to mark one's performance but is not in itself satisfying. What keeps one going is the experience of acting outside the parameters of worry and boredom: the experience of flow.
[p.37-38; Csikszentmihalyi (1975) Beyond boredom and anxiety]

SOMETHING THAT JUST COMES OUT OF MY BODY
It has to be very loud to dance ... It's more overpowering when it's loud, and it gets you more into what's going on, concentrating entirely on the music. When you feel the music resonating through you, it really helps. 'cause when it's loud, like when you're dancing to a rock group, you can really feel yourself vibrate almost. And, also, the louder it is, the more it blocks out other noises, so it's more of a total immersion in the music, which is also a very good sensation and is also conducive to just dancing and being part of the music - almost incorporating it. I can get totally into the music and not get self-conscious about dancing. I know that when I first start or if there is some distraction, or I'm conscious of the way I'm dancing, I don't dance as well as when I'm really totally into the music. I feel the music in my body when dancing. That's the way it's expressed, the way I feel about it, the way I think about it - which is why it's hard to articulate, because it's something that just comes out of my body, 'cause I don't usually think about the steps I'm going to do consciously.
[p.105 rock dancer interview; Csikszentmihalyi (1975) Beyond boredom and anxiety]

A CERTAIN MODE OR DRAMA - A SET ROUTINE
When you know an operation is coming, it's on your mind and occupying all your thoughts. You're 'psyched up' - i.e., tense and worried. You anticipate all the little things that might go wrong. Before a difficult operation I have a certain mode or drama - a set routine. I put myself on automatic mode or pilot. I try to set up a pattern so I eat at the same time, drive to the hospital the same way, etc. Then I am free to think and prepare strategies for the important operations. To start with I am very anxious about the surgery and the patient's welfare. I want to do a good job and avoid complications. If troubles do come up it is very hard on the ego. One should have an idea as to what he can and cannot do and should be careful that he does not overextend himself.
[p.131 surgeon interview; Csikszentmihalyi (1975) Beyond boredom and anxiety]

ENJOYING WHAT YOU ARE DOING
... people who enjoy what they are doing enter a state of 'flow': they concentrate their attention on a limited stimulus field, forget personal problems, lose their sense of time and of themselves, feel competent and in control, and have a sense of harmony and union with their surroundings. To the extent that these elements of experience are present, a person enjoys what he or she is doing and ceases to worry about whether the activity will be productive and whether it will be rewarded. Conversely, a 'flow activity' is an activity that makes flow experience possible. Such an activity provides opportunities for actions which match a persons's skill, limits the perceptual field, excludes irrelevant stimuli, contains clear goals and adequate means for reaching them, and gives clear and consistent feedback to the actor.
[p.182; Csikszentmihalyi (1975) Beyond boredom and anxiety]
 
03.06

1
2


Book - - editor: Smith, Peter K. (19??-): - Play in animals and humans (1984) [Basil Blackwell; Oxford; p.324] ISBN: 0631134921
->
- University Library Amsterdam: H85-1166
Er wordt hier enkel uit het laatste hoofdstuk geciteerd, omdat dat zo fraai al de idealistische visies over spelen en leren weet te relativeren. De rest van deze bundel met auteurs uit verschillende disciplines is zeker de moeite waard, vooral, omdat met het uitgangspunt van spel bij zowel dier als mens, de gangbare scheidslijnen tussen disciplines doorbroken worden, dit maakt een meer fundamentele benadering van 'spelen' mogelijk. Er is een on-line samenvatting van alle hoofdstukken uit dit boek te vinden op het Internet.

7-6-2002 - 11/30/2005 tj


PLAY AS A FORM OF LEISURE
Anything which is not work, such as recreation, play, sports, etc., tends within the modern industrial climate to take on the positive hue of an escape from such obligatoriness. We would credit this cultural situation as the major force behind the increasing idealization of children's play. The compulsions of work-obliged time have, in a secularized age, made any kind of activity freed from these obligations appear increasingly romantic and less allienated. And play as a form of leisure, has become exalted for its freedom. But what is confused here is the issue of being free from work with being free to choose to do whatever you wish.
[p.306; Smith (1984) Play in animals and humans]

COLONIZED INTO THE DOMINANT WAY OF LIFE
Quite incidentally, the industrial age gave to some team games a repute they certainly had not acquired in their more barbarous pursuit by medieval folk. For example, with children roaming the urban streets in the nineteenth century as their fathers went into the factories and with the children disenfranchised from their former apprenticeships in village and family economies, reformers turned first to schools to bring these children under social control. Those involved in playground movements of the first twenty years of this century turned to the use of team sports to bring these urgins, vagabonds, these deprived immigrants, under control. As Goodman (1979) puts it, through team games they could be colonized into the dominant way of life. It was a play ideology of the rich for the poor, and it turned out to be the most successful play ideology that the modern world has had (Sutton-Smith, 1982a).
[p.307; Smith (1984) Play in animals and humans]

PLAY NO LONGER IRRELEVANT
What we are contending is that in this century we have, bit by bit, moved away from the traditional view that play is trivial or irrelevant to the major economic and religious culture, towards the view that it is a positive and pleasant aspect of human character, intelligence, pleasure and freedom.
[p.309-310; Smith (1984) Play in animals and humans]

PLAYING IN FRONT OF THE TELEVISION SET
Perhaps the modern notions derive to some extent from the situation in nursery school in which the adults provide a setting with toys, etc. where under their supervision, children are supposedly 'free' to make choices within the limited array available. When we see children on the playground, however, that freedom is primarily freedom from the classroom. There is limited freedom of choice in the actual play of the playground itself because of the obligations of friends and to powerful other children, etc. (Slutkin, 1981). What is more remarkable about playground play is the necessary conformity of the players to seasonal pastimes or to activities of the dominant children. Even more intimate play at home with one's best friends is often strongly influenced by commercial instigated activities involving the imitation of television dramas or the use of advertised toys (Kelly-Byrne, 1983). The typical scene in many modern homes is of the child playing in front of the television set with a television advertised toy.
[p.310-311; Smith (1984) Play in animals and humans]
 
04 avontuur/adventure
04.01

1
2


Book - - author: Huysmans, Joris-Karl (1848-1907): - Tegen de keer/A rebours (1884/1970/1987) [Uitgeverij Ambo/Athenaeum-Polak & Van Gennep; Baarn/Amsterdam; p.256] ISBN: 9026308221
->
- University Library Amsterdam: UBM: P77-4629

- ? (Electronic Text edition in English translation: Against the Grain (A Rebours) by Joris-Karl Huysmans 1884 with an introduction by Havelock Ellis.)
http://www.eldritchpress.org:8080/...

- L'Association des Bibliophiles Universels (ABU) (The original French version is also available as Electronic text at this excellent website)
http://abu.cnam.fr/...
Des Esseintes, gefortuneerd man die zich aan het dagelijkse leven probeert te onttrekken door het creeren van zijn eigen artificieele paradijs, is de hoofdfiguur van dit boek van de Zuid-Nederlandse, in het Frans publicerende schrijver Huysmans. In zijn huis in Fontenay leeft Des Esseintes een leven wat, in ons huidige taalgebruik, meer virtueel dan werkelijk genoemd zou worden, door zich te omringen met "listige nabootsingen" en "handig bedrog". Kunstmatige lichteffecten, aquaria met geinjecteerde kleurstoffen, aromatische geurverspreiders, hallucinerende bonbons en vooral het bekijken van plaatwerken en boeken maakten het Des Esseintes mogelijk te reizen zonder zijn huis te verlaten. Op een gegeven moment, een moment van "geestelijk zwakte", doet De Esseintes een poging toch daadwerkelijk op reis te gaan. Het lezen van de werken van Dickens heeft hem sterk aangetrokken doen raken tot Londen. Hij laat zijn bedienden zijn koffers pakken en gaat eerst naar Parijs om daar in een boekhandel baedekers, reisgidsen, door te bladeren, en steeds, al lezend, sleept zijn fanatasie hem mee naar een wereld die hem meer 'werkelijk' is als de bestaande. Uiteindelijk slaag hij er niet in daadwerkelijk te vetrekken, de vrees dat de echte ervaring niet zou beantwoorden aan zijn verwachtingen, ontstaan door het lezen, doet hem besluiten rechtsomkeerds te maken ....

7-20-2002 - 11/30/2005 tj


SCHITTERENDE REIZEN VANUIT EEN STOEL
Des Esseintes was niet in staat zijn benen te bewegen; een zacht lauwwarm gevoel van onmacht sijpelde door al zijn ledematen en verhinderde hem zelfs zijn hand uit te strekken om een sigaar aan te steken. Hij zei tot zichzelf: 'Kom, vooruit, opstaan, je moet er vandoor.' Maar hij had onmiddellijk bezwaren bij de hand, die zijn bevelen ontkrachtten. Waar was het tenslotte goed voor om nog een stap te doen als men zulke schitterende reizen kan maken vanuit een stoel? Was hij al niet in Londen, waarvan geuren, sfeer, inwoners, voedsel en huisraad hem omringden? Wat kon hij dan verwachten daar te vinden behalve nieuwe teleurstellingen, zoals vroeger in Holland? Hij had nog net tijd genoeg om naar het station te hollen, maar een immense afkeer voor de reis en de dwingende behoefte om te blijven waar hij was, werden steeds sterker. In gedachten verdiept liet hij de minutren voorbijgaan, zo sneed hij zichzelf de terugweg af. 'Nu zou ik naar de loketten moeten stormen en tussen de mensen dringen bij de "Aangifte van bagage",' zei hij bij zichzelf. 'Wat een ellende zou dat zijn!' En opnieuw herhaalde hij tegen zichzelf: 'Eigenlijk heb ik alles gevoeld en gezien wat ik wilde voelen en zien. Sinds mijn vetrek uit Fontenay ben ik volgezogen met het Engelse leven en ik zou wel gek zijn en niet zo handig als ik door een reis onvergankelijke indrukken kwijt zou raken. Wat ben ik toch een idioot geweest om te proberen mijn oude overtuiging te verloochenen, de gedwee fantasieen van mijn geest te veroordelen en als een echte sukkel te menen dat het zo nodig zou zijn, zo nuttig en van zo groot belang een reis naar het buitenland te maken!' Hij keek op zijn horloge. 'Hee,' zei hij, 'het is tijd om naar huis te gaan.' Nu lukte het hem overeind te komen; hij liep naar buiten, en beval de koetsier hem naar het station Sceaux terug te rijden. Hij kwam in Fontenay terug met zijn koffers, dozen, valiezen, reisdekens, paraplu's en wandelstokken en voelde de lichamelijke uitputting en geestelijke vermoeidheid van een man die is thuisgekomen van een lange gevaarlijke reis.
[p.161-162; Huysmans (1884/1970/1987) Tegen de keer]
 
04.02

1
2


Book - - author: Jankelevitch, Vladimir (1903-1985): - De beleving van de tijd; avontuur, verveling, ernst/L'aventure, l'ennui, le serieux (1963/1966) [Aula-Boeken; Utrecht/Antwerpen; p.208] ISBN:
->
- University Library Amsterdam: XX2337-303

- University Library Amsterdam: 989B39(franseversie)
De Fransman van Russiche ouders Vladimir Jankelevitch is zestig jaar als hij dit werk over avontuur, verveling en ernst publiceert. Hij is dan inmiddels professor in de filosofie aan de Sorbonne en gelijktijdig ook werkzaam als musicoloog. Jankelevitch heeft dan al een leven achter de rug waarin hij, hoe ongewild ook, kansen genoeg heeft gehad om van het avontuur te proeven, geen vrijblijvend onderwerp voor hem. Hij voelt zich aanvakelijk sterk verwant met de filosoof Henri Bergson, vertaald werken van Freud in de dertiger jaren van de vorige eeuw, publiceert over onderwerpen als 'ironie', 'geweten' en 'het kwaad'. Tijdens de Tweede Wereld Oorlog is hij actief in het verzet en houdt er een diepe haat tegen alles wat Duits is aan over. Zijn onbuigzaamheid in deze laatste mening bemoeilijkt zijn na-oorlogse carriere, hij wil van geen 'pardon' weten. Hij valt buiten de bekende intellectuele kampen van 'marxisten' en existentialisten', gaat zijn eigen weg. Zijn muzikale belangstelling voor componisten als Ravel, Faure en Debussy, over wie hij boeken publiceert, is ook 'hoorbaar' in zijn lyrisch en dikwijls poetisch proza, waar met Franse wijdlopigheid en een zichzelf verliezen in de toon van de taal, toch voor de goede 'luisteraar' veel aan te ontlenen valt, als je maar niet op zoek bent naar vastomlijnde definties. Jankelevitch stelt zich een thema en laat dat dan in vele variaties aan de lezer voorbijtrekken. Het kiezen van citaten maakt dat er niet gemakkelijker op - waar beginnen met knippen en waar op te houden - hetgeen op te maken valt uit het feit dat hier een zestal korte citaten gekozen zijn over het begrip 'avontuur' en een langer citaat over 'verveling' als uitsmijter.

7-26-2002 - 11/30/2005 tj


DE VERLEIDING VAN HET AVONTUUR
De mens wordt verleid door het avontuur, want het pathos van het avontuur is een complex van tegenstellingen. De verleiding is juist dat mengsel van lust en afschuw. Daar de afschuw de lust vergroot, is de afschuw op paradoxale wijze een bestanddeel van de lust. Het verlangen daarentegen is positief zonder negatieve kant; het impliceert een eenvoudige aantrekkingskracht die zichzelf gelijk blijft. Op gelijke wijze is de fobie, in tegenstelling tot de simpele vrees, een vrees die aantrekkingskracht uitoefent. Dit in zichzelf verscheurde gevoel der verleiding, waarin de mens naar verschillende kanten getrokken wordt, is bij uitstek een gepassioneerd gevoel. De verleiding van het avontuur is dus de typische verleiding.
[p.12; Jankelevitch (1963/1966) De beleving van de tijd]

DUBBELROL VAN DE AVONTUURLIJKE MENS
De mens die het avontuur beleeft, staat tegelijkertijd buiten het drama als 'acteur' en binnen het drama als de 'agent', als de handelende mens, ingekapseld in het mysterie van zijn eigen lot. Hoe kan men tegelijkertijd erbinnen en erbuiten zijn? Ruimtelijk is dat een onmogelijkheid en logisch is het ondenkbaar door zijn tegenstrijdigheid: een deur moet open of dicht zijn - en zelfs halfopen is een deur al open: een mens is in de kamer of hij is erbuiten. Maar hij kan ook op de 'drempel' staan, zich heen en weer bewegend van binnen naar buiten: pneumatisch vindt dit wonder geregeld plaats. Aldus is ook het menselijk leven tegelijkertijd open en gesloten, dus halfopen. Op dezelfde wijze is de avontuurlijke mens binnen-buiten. begrijpe wie het kan!
[p.15; Jankelevitch (1963/1966) De beleving van de tijd]

ZOUT VAN HET AVONTUUR: DE DOOD
Onverschillig welk avontuur, zelfs een avontuurtje voor de aardgheid, is slechts avontuurlijk naar de mate waarin er een dosis mogelijke dood mee verbonden is, vaak een oneindig kleine dosis, om zo te zeggen een homeopathische dosis, die nauwelijks waarneembaar is... Toch is het juist deze kleine en soms ver verwijderde mogelijkheid die het zout van het avontuur is en het avontuurlijk maakt.
[p.18; Jankelevitch (1963/1966) De beleving van de tijd]

KWETSBAARHEID VAN ONS BESTAAN
Misschien zouden ook engelen wel een lust hebben te sterven om als alle stervelingen gevaren te kunnen lopen, maar zij zijn, helaas!, veroordeeld tot de onsterfelijkheid en gaan misschien dood van verveling omdat ze niet dood kunnen gaan. Het is heel eenvoudig: wie een avontuur wil beleven, moet sterfelijk zijn, moet kwetsbaar zijn op duizenden manieren. De dood moet door alle porien van ons organisme in ons kunnen doordringen, door alle voegen van het gebouw dat ons lichaam is. Het is beter niet te denken aan de ontelbare manieren waarop dit fragiele gebouw ineen kan storten! Onze veiligheid is op zo uitzonderlijke wijze geregeld, maar onderstelt het samentreffen van zovele voorwaarden die elk ogenblik ongedaan gemaakt kunnen worden, dat het van dag tot dag voortduren van die veiligheid in zichzelf al een wonderbaarlijke coincidentie is en een gelukkig toeval, waarvoor wij zonder ophouden het lot dankbaar zouden moeten zijn. Men kan met recht zeggen: het leven is een aaneenschakeling van kansen die ons dagelijks onttrekken aan de macht van de dood. De mogelijkheden van het avontuur berusten op de essentiele kwetsbaarheid en de ongeneeslijke onzekerheid van ons psychosomatisch bestaan.
[p.19; Jankelevitch (1963/1966) De beleving van de tijd]

GELUKZALIGE ANGST VAN DE TOESCHOUWER
De avonturen van anderen, voor mij van derden, van u voor mij, de avonturen die men niet zelf loopt, worden aldus afgerond en in zichzelf gesloten. De mens woont als toeschouwer het defile van een opwindende reeks beelden bij, hij bladerd met kloppend hart in een plaatjesboek, in het hemelse blauwboek, in het 'Boek van de Duif' waarvan de Russische legenden en episoden voor onze verrukte ogen afrollen: gelijk de sultan, dag en nacht luisterend naar Scheherazade, die hem duizend en een wonderen van het Oosten en de feeerieke zeereizen vertelt. Hij bezorgt zich angstrillingen als de vreemzame burger die in de dierentuin wilde dieren gaat zien en zich graag de stuipen op het lijf jaagt door zo dicht mogelijk de tralies te naderen... Tegenover wat zijn veiligheid zou kunnen bedreigen, gedraagt de 'homo ludens' zich als de toeschouwer die beurtelings verschrikt en geamuseerd is, nu eens opgetogen en dan weer op gelukzalige wijze beangst.
[p.24; Jankelevitch (1963/1966) De beleving van de tijd]

TOEVALLIG AMOUREUS AVONTUUR
Er was eens een klein ambtenaartje dat steeds langs dezelfde weg naar zijn kantoor ging. Op een goeie dag, de weg van het ernstige leven volgend, ontmoet hij de glimlach van een vrouw. Hij maakt een omweg, stapt niet uit bij de halte van de tram waar hij had moeten uitstappen, slaat niet een weg in die hij gewoonlijk inslaat. Zijn avontuur lijkt op dat van Epicuris' atomen die evenwijdig in het ledige vielen. Hadden die atomen hun val naast elkaar eeuwig voortgezet, dan zou er nooit iets gebeurd zijn. Om in het algemeen iets te laten gebeuren, moet een van die atomen een gril gehad hebben; het wilde zijn eigen leven leiden en verwijderde zich van de andere. Daarvoor was een 'ontmoeting' nodig. De Epicuriers gebruikten hiervoor de term declinatie. Een atoom heeft er plotseling genoeg van, niemand weet waarom, steeds maar naar beneden te blijven vallen naast de andere atomen: het maakt een omweg, een 'clinamen'. Vanaf dit 'clinamen', deze toevallige afwijking, wordt alles mogelijk: de ene afwijking veroorzaakt de andere en daardoor ontstaan opeenstapelingen, bergketens, continenten, als de oneffenheden van de bodem, in een woord: de pittoreske wereld die onze wereld is. Aldus ook de gepassioneeerde zigzaglijn op de dagelijkse weg naar kantoor: zoals de declanatie het begin is van de kosmogonie en een nieuwe wereld doet ontstaan, zo ontketent ook de ontmoeting allengs de gebeurtenissen die een werkelijke geschiedenis vormen en de emoties die een werkelijk leven in vuur en vlam zetten.
[p.38; Jankelevitch (1963/1966) De beleving van de tijd]

DE VERVELING IS ALS GELUKKIGE SMART
De verveling is niet het resultaat van de eentonigheid of van de vermoeidheid, maar kan er de oorzaak van zijn; de verveling is de oorzaak van haar eigen oorzaken. Want het is de verveling die alles uniform maakt en alles deprimeert. Als resultaat zou ze juist niet monotoon, maar gevarieerd zijn, geen loomheid maar rust, geen arbeid maar vrije tijd, geen ongeluk maar eerder geluk. De verveling lijdt, niet 'ondanks' het geluk maar, en dat is het toppunt van het absurde en in hoge mate belachelijk, 'wegens' het geluk. De verveling is het ongeluk van het geluk, zoals de wanhoop het ongeluk van het ongeluk is! Als alle smarten, zegt Schopenhauer, in de hel geworpen waren, dan zou in de hemel alleen maar de verveling overblijven: dat is het ergelijke schandaal waarvoor we nu een verklaring moeten vinden. Zelfs die allerkleinste oorzaken waarover we gesproken hebben en die misschien de onzichtbare bepalende factoren zijn van onze verveling, worden gekenmerkt door dezelfde bespottelijke eigenaardigheid: terwijl ze gewoonlijk plezier verschaffen, veroorzaken ze smart - dat is de ironie van het chiasme (kruisstelling, redenering door omkering tj.) dat onze gevoelens zo grillig en zo onvoorzien maakt. De ijdelheid der overwinning maakt onze verveling, niet de onmacht van de nederlaag. De verveling is als een luxe-ziekte de paradoxale, dubbelzinnige en tegenstrijdige consequentie van een toestand die ons gelukkig zou moeten maken, maar het niet kan, en die ons ongelukkig zou kunnen maken maar het niet mag. De verveling is, als gelukkige smart of als droef geluk, een dubbelzinnige toestand, bijna een randgevoel tussen twee uitersten.
[p.75; Jankelevitch (1963/1966) De beleving van de tijd]
 
04.03

1
2


Book - - editors: Levering, Bas (19??-)/Biestra, Gert/Weijers, Ido: - Thema's uit de wijsgerige en historische pedagogiek; bijdragen aan de achtste landelijke pedagogendag (1998) [Uitgeverij SWP; Utrecht; p.191] ISBN: 9066665273X
->
- University Library Amsterdam: H98-1478
'Verontzekeren' is een moderne, gekunstelde, opvoedkundige term voor het aloude proces van aan het twijfelen brengen, daarmee tot nadenken aanzetten en een mogelijk tot nieuw inzicht komen. "Over lezen en reizen als centrale ervaring in 'humanistische opvoeding en vorming" van Jan Masschelein van de Katholieke Universiteit Leuven is een hoofdstuk uit deze bundel (p.123-128). Deze korte tekst beschrijft de gangbare opvatting van opvoeding en vorming als een eindeloze reis die een eindeloze terugkeer tot zichzelf, een zichzelf terugvinden is. Toch zijn er andere mogelijkheden....

6-27-2002 - 11/30/2005 tj


ONTTROKKEN AAN DE ZEKERHEID VAN EEN VOORGESCHREVEN WEG
Dit denken begrijpt de ervaring en dus ook het lezen en reizen niet in het licht van het 'zichzelf worden' , maar van het onteigend worden (...) Men gaat dan uit van de gedachte dat de ervaring is wat ons op de een of andere wijze 'anders' maakt en transformeert. De ervaring zou dan zijn wat ons overkomt, ons verontrust en ons in beweging zet: wat ons onttrekt aande vertrouwdheid van ons huis, aan de zekerheid van een voorgeschreven weg, aan de routine van onze gewoontes, aan de voorspelbaarheid van onze objectieven, aan wat we weten en verwachten, aan on zelf. Daarom zou het vertrouwde en het gebruikelijke geen ervaring in het leven roepen, maar wel het vreemde en het buitengewone, datgene wat aan de maat van ons weten en de rationaliteit van onze verwachtingen ontsnapt, wat niet afhangt van onze macht.
[p.123; Levering (1998) Thema's uit de wijsgerige en historische pedagogiek]

DE OPVOEDING NIVELLEERT EN STRUCTUREERT HET LANDSCHAP
Het lezen en reizen blijken uiteindelijk ook in de humanistische traditie feitelijk slechts mogelijk in de mate er een opvoeder is, iemand die reeds gevormd is, die reeds een voorsprong heeft op de weg, die reeds 'weet' en functioneert als gids. Hij reveleert de werkelijkheid, onthult de waarheid achter de tekst, de orde onder de chaos: de namen, de concepten en hun relatie. In de moderne opvoeding is het altijd iemand die kan lezen die de lectuur leidt en onderricht hoe zelf te lezen, het is altijd iemand die kan reizen, leert te reizen. Zo ontwikkelt de pedagogiek feitelijk allerlei strategieen en operaties om datgene wat de ervaring aan onzekerheid, avontuur, ambiguiteit en risico inhoudt te bezweren. De opvoeding geeft te lezen, bepaalt de legitieme vormen van lezen en controleert de concrete vormen ervan; ze geeft ook te zien, bepaalt de adequate perceptiewijze en controleert ze. Ze ordent en organiseert de bibliotheek en nivelleert en structureert het landschap zodat niets werkelijk onvoorziens nog kan gebeuren, zodat er zich geen gebeurtenis nog kan voordoen, niets dat plaatsvindt dat nog als ervaring kan beschouwd worden (Agamben, 1989).
[p.126; ref: G. Agamben "Enfance et histoire..."; Levering (1998) Thema's uit de wijsgerige en historische pedagogiek]

EEN BEWEGING DIE RUIMTE LAAT VOOR HET RADICAAL NIEUWE
Men zou dan ook kunnen wijzen op een andere ervaring van reizen, een die niet genormeerd is door de ideeen van vooruitgang of terugkeer. Reis die niet leidt naar ons zelf, maar altijd elders, buiten ons zelf. Reizen niet als een zichzelf worden, maar als een (ver)vreemd worden van de plaatsen en trajecten die men gewoonlijk kent onder de naam realiteit. Een reizen dat niet leidt tot weten, tot kunnen, tot autonomie, maar dat ontmoetingen mogelijk maakt die gedachten opwekken die altijd singulier zijn, gelegenheidsgedachten, altijd onscheidbaar van de onvoorziene wisselvalligheden van de reis. Reis die geen Geschiedenis is, geen permanente mars naar de voltooiing van de mensheid, naar de voltooiing van de zin, maar een beweging die ruimte laat voor het radicaal nieuwe en een pluraliteit installeert die zich onttrekt aan elke mogelijk identiteit en daarmee getuigt van een openheid die telkens een nieuwe reis vraagt. Reis onder het teken van de niet-terugkeer, vertrek dat altijd herhaald wordt, weg zonder punt dat de haven kan zijn van de terugkeer tot zichzelf en waar alle havens vertrekhavens zijn (Vgl. Borreil, 1993).
[p.127; ref: J. Borreil "Le raison nomade")
 
04.04

1
2


Book - - author: Reijnders, Lucas (19??-): - Reislust; op weg naar het paradijs en andere bestemmingen (2000) [Van Gennep; Amsterdam; p.280] ISBN: 9055152501
->
- University Library Amsterdam: H99-6490
Lucas Reijnders was een vroege milieu-activist en heeft in de loop der jaren bergen werk verzet om de schadelijkheid van bepaalde stoffen en processen voor onze omgeving en ons lichaam aan te tonen, zo was hij een van de redacteuren van de gids 'Geneesmiddelen in Nederland' voor zowel arts als gebruiker, die nu ruim twintig jaar geleden voor het eerst verscheen en talloze geactualiseerde edities gekend heeft. Reijnders is al geruime tijd hoogleraar milieu-kunde aan de Universiteit van Amsterdam en ook verbonden aan een van de grootste milieu-lobby organisaties in Nederland, de 'Stichting Natuur en Milieu'. Als het er om gaat 'wetenschappelijke verborgenheden' om te zetten in voor velen begrijpbare heldere taal - zonder te vervallen in oppervlakkigheid -, dan is Reijnders een van de meesters in deze zo belangrijke kunst, nodig om het vervuilend technocratisch machtsbolwerk te ontmantelen. Onderwerpen als bestrijdingsmiddelen in en rondom het huis, cosmetica, voedselvervuiling, plastics en het milieu op de werkplek, werden de afgelopen twintig jaar door hem behandeld. Vaak hebben dit soort boeken een gidsachtig en dus opsommend en beschrijvend karakter. Niet ieder onderwerp leent zich op deze wijze behandeld te worden. Reijnders laatste product, over reizen, mobiliteit, energie en mileu, lijdt onder die benadering. Op orderlijke wijze worden welliswaar grote hoeveelheden interessante, voornamenlijk historische, feiten op een rij gezet (maar liefst 462 bronverwijzingen), maar men mist een samenvattende mening, een theorie of filosfie van de auteur zelf bij ieder van de vijf hoofdstukken waaruit het boek bestaat. Als aanzet tot verder lezen heeft dit boek zeker nut, daar staat de brede belangstelling en kennis van de auteur garant voor. Op het einde komt de mening van de schrijver toch nog aan bod en schiet Reijnders uit zijn slof, wat een vermakelijke en leerzame passage over de 'nutteloosheid' van het reizen oplevert, een opvatting die overigens ook bij een heel vroege milieu-activist Jean Jacques Rousseau te vinden is, die in zijn 'Emile' uiteenzet waarom 'reizen voor iedereen vruchteloos is', en met name reizen naar hoofdsteden die allen op elkaar lijken (Emile/1762/1989 p.408).

7-17-2002 - 11/30/2005 tj


ORIGINALITEIT VAN REIZEN ZIT TUSSEN DE OREN
Reizen in het hoofd gaat een grote toekomst tegemoet. Dat komt enerzijds doordat de geografische mogelijkheden om iets geheel nieuws te beleven zijn uitgeput, terwijl het hoofd daarvoor nog alle ruimte biedt. Met canyoning in Zwitserland, hydrospeed in de USA, downhill-biken in Nepal en de beklimming van de Mount Everest door iemand met een been en een blootvoetse man in zwembroek zijn de fysieke grenzen eveneens bereikt. Voor een stap verder moet men aan de drugs of aan boek, video of internet. Zonder noemenswaardig te bewegen kunnen de interessantste werelden worden geschapen, Het is een teken aan de wand dat in de grote romans van de twintigste eeuw, zoals die van Proust, Joyce en Kafka, nauwelijks aan mobiliteit wordt gedaan. de Odysseus van Joyce bleef in Dublin. En in de grote toneelstukken van Samuel Beckett wordt nauwelijks bewogen. Nu kan dit nog worden afgedaan als een afwijking van de elitecultuur, maar veelzeggender is mischien dat het laatste nationale televisieprogramma uit het voorgaande millennium Big Brother was, waarin mensen wekenlang immobiel in Almere zaten. Al even opmerkelijk is dat door ruimtevaartdeskundigen in de jaren zeventig driftig werd geschermd met ruimtetoerisme rond 2000. Daar is niets van terechtgekomen. Maar het wordt niet als een gemis ervaren. Zo mooi als Star wars, Battleship Galactia en Star Trek kan de 'real thing' niet zijn. Overeenkomstig daarmee is het verre van uitgesloten dat een virtueel Venetie deze eeuw aantrekkelijker zal blijken te zijn dan de bomvolle zomerse werkelijke tegenhanger daarvan. Er zijn onderweg op aarde geen echte verrassingen meer. (...) Alle toeristische bestemmingen zijn al door horden anderen bezocht. Zelfs de avontuurlijke back-packers begeven zich in drommen langs wegen die gebaand zijn door The Lonely Planet en The Rough Guide. En voor de gewone toerist is er al helemaal niet nieuws te beleven. (...) Dit leidt tot een curieuse paradox. De middeleeuwse boer die nauwelijks zijn dorp uitkwam, leefde een unieker leven dan de huidige mobiele wereldburger. Zijn fysieke wereld was klein, maar in zijn gedachten was de wereld groot, verder weg was het stukken wonderbaarlijker dan nu. Dat gold ook voor de onder- en bovenwereld. En: hij kon zelfs naar de hemel, iets wat de hedendaagse reiziger veelal niet gegeven is. De toeristenindustrie gaat het gebrek aan verrassingen te lijf door steeds meer bedachte bestemmingen te creeren. Deze hebben echter het nadeel dat ze niet per se aan een bepaalde plaats gebonden zijn en het in toenemende mate zullen moet opnemen tegen virtuele reizen. (...) De potentiele originaliteit van reizen zit dan ook meer en meer tussen de oren. Met reizen in het hoofd kan men in gedachten zelfs ontsnappen aan het labyrint waarin de reislust ons heeft doen belanden. Daarmee maakt de geschiedenis een opmerkelijke draai. Vroege reizigers in het hoofd, zoals Homerus en Mandeville, deden dat omdat echt reizen te moeilijk was, in onze dagen komt men er veeleer toe omdat echt reizen te gemakkelijk is.
[p.265-266; Reijnders (2000) Reislust]